Tante Aaltje

Tante Aaltje

Natuurlijk, ik ben opgegroeid in een gezin, met vader, moeder, twee broers en twee zussen, maar ook met tante Aaltje. Om haar gaat het hier: Aaltje Rodermond-van der Woude. In rouwadvertenties staan er dan ook nog jaartallen bij. Ze leefde van 29 mei 1923 tot en met 20 januari 2016. Tante Aaltje is onlangs overleden.
Daarom, hierom schrijf ik dit.
In de strenge winter van 1946/ 47 verhuisden mijn ouders van de stad Groningen naar het Friese dorp Drachten. Ik was net geboren. Mijn ouders waren nog relatief vreemd, en begrepen niet meteen waarom de buurman meende behulpzaam te zijn met de winkels te noemen waar mijn ouders hun brood, groente en vlees moesten kopen. De vraag daarvóór (“wat bent u?”) gaf al misverstand. Zoiets vroeg je niet in de grote stad waar zij vandaan kwamen.
Mijn ouders hebben laten weten – aan wie? – dat ze hulp konden gebruiken in het huishouden. Zeker toen het vierde kind op komst was. Aaltje van der Woude werd overgehaald door haar ouders. “Doe het maar.” Ze wou eerst niet. Zoals ik later hoorde had ze een paar jaar op de huishoudschool gezeten en bij gezinnen in huis geholpen. Daar had ze naast prettige ook nare ervaringen opgedaan. Verwijzingen naar het standsverschil hadden haar geraakt. Toch kwam ze bij ons mijn moeder helpen. (Vader werkte als leraar op de ULO. De gezinstaken waren toen nog keurig verdeeld.)
Mijn vroegste herinnering aan haar was de uitroep: “No ha ik skjin myn nocht fan jimme!” Op de zaterdagmiddag werd altijd een zeiltje op de vloer in de achterkamer gelegd, daarop de tobbe met warm water. Mijn grote broer mocht als eerste, mijn grote zus als tweede en ik werd met het intussen lauwe water als laatste gewassen door Aaltje. Dat werd geheid kliederen, én het begin van mijn Friese woordenschat.
Aaltje is jaren bij ons gebleven. Ook toen ze met Cor trouwde, maar dan als de huisvriendin van mijn ouders en als intussen tante Aaltje. In de nalatenschap van mijn ouders vond ik nog de sollicitatiebrief terug van Cornelis Rodermond, later dus oom Cor. Mijn vader had hem geholpen met het opstellen van de brief, waarna hij een betrekking kreeg bij de gemeente Smallingerland. Ze hebben hun hele leven in hetzelfde huis gewoond in de straat waar aan het begin mijn vaders school stond. En waar Rink van de Velde, die nog les had van mijn vader, op het eind van zijn leven woonde.
Een deel van mijn leven raakte verweven met dat van tante Aaltje. Haar ouders heetten Mem en Heit. Ik wist als klein jochie dus niet beter dat dat hun namen waren. Dus zij werden voor mij ook Heit en Mem. En zelfs Pake, biij hen inwonend, heb ik nog jaren zo genoemd. Het huis stond in de Schoolstraat, waar die andere school aan het begin stond, de gereformeerde lagere school van meester Gietema. Ik herinner me nog de intieme geur van het huis, en de houten zolder waar je via een los trapje op moest klimmen. Ik heb er nog geslapen.
Heit en Mem waren gereformeerd, Aaltje dus ook. Wij waren Hervormd. Dus was het in die tijd al bijzonder dat zij bij ons in het huishouden hielp. Dat heeft in de loop van de tientallen jaren zijn sporen nagelaten. Haar dochter Sietske heeft me daarover verteld. De invloed van mijn ouders op het leven van tante Aaltje was duidelijk aanwezig. Andersom heeft zij een belangrijke rol gespeeld in het leven van mijn ouders. En in het mijne. Het is grotendeels aan haar invloed te danken dat ik tweetalig opgroeide. Ze vertegenwoordigde in haar karakter en achtergrond een wereld die ik anders niet zo direct had leren kennen.
Bij jubilea en verjaardagen van mijn ouders waren zij en oom Cor bijna altijd aanwezig. Toen mijn ouders op latere leeftijd ziek werden en opnieuw hulpbehoevend, anders dan vlak na de oorlog, was zij weer present. Zoals later bij de ziekte en begrafenis van mijn moeder, en daarna ook bij de verjaardagen van mijn vader, die we bij Ie-sicht vierden. Toen mijn vader stervende was, nam ik haar mee naar het verpleeghuis in Burgum. Samen namen we afscheid – zij van haar oudere vriend Louw, en ik van mijn vader.
Ook daarna zocht ik haar op als het even kon. We gingen naar een tentoonstelling in het Drachtster Museum, met foto’s van het vroegere Drachten. Haar geheugen bleek fenomenaal, ze herinnerde zich op late leeftijd nog talloze namen, inclusief bijnamen. De historische vereniging Smelne’s Erfskip ging bij haar op bezoek. Ze was geliefd bij de buurtzorg. Samen met de burgemeester was ze de hoofdgast bij een feestelijke gebeurtenis van de zorgorganisatie in haar wijk. De video daarvan staat op Youtube: tante Aaltje vereeuwigd. We maakten een tochtje met de auto in de omgeving. Ze bezocht mijn nieuwe woning in Molkwerum, nadat ik net verhuisd was. Ik zie haar nog zitten terwijl ik voor haar op haar verzoek op de piano speel. Als ik bij haar thuis kwam luisterde ik met genoegen naar haar verhalen over voorbije tijden. Als ze dan even stil viel, en wegdwaalde in gedachten, besloot ze met: “no sa, sje datte!” – zo was het. Dan was het mijn beurt om iets te zeggen.
Nu dan voor het laatst.
Tante Aaltje.
“No sa, sje datte.”

Herman Beks