Sinte Marten stokje

Hun lampions zouden niet in brand vliegen, zoals eens, op een stormachtige Sint Maarten, de mijne. ‘Road, road, reugeltsje, Sinte Marten fleugeltsje.’
Mijn handen waren rood en koud, aan het stokje zwartgeblakerd papier. Jelle, mijn broertje, en ik zouden thuis van mem elk een trommel krijgen om al het snoepgoed in te bewaren. Elke dag zouden wij een zuurtje mogen nemen, maar de mijne zou na een paar dagen al leeg zijn en nu en dan zou ik het niet kunnen laten en stiekem iets uit zijn trommel nemen. De dubbeltjes en een enkel kwartje zouden in de spaarpot verdwijnen. ‘Foar de bernewein.’

Ik stond in de deuropening en keek het laatste groepje kinderen achterna tot zij om de hoek verdwenen. Eén van de kinderen hoefde geen manderijn, die peuzelt de moeder straks op. Een verlegen meisje had één taaipoppetje genomen, ik had haar iets extra’s toegestopt. De koeien hadden nog altijd staarten. De dropjes waren op, enkele overgebleven rolletjes snoep zou ik mij straks wel over ontfermen.
Het begon te regenen. Voor ik naar binnen ging zag ik hoe in een van de huizen het licht weer aan kon.