Het leven is niet vanzelfsprekend

Het leven is niet vanzelf sprekend.

We zitten aan een tafeltje voor twee in het café “De Appelbol” op de Markt in Bergen Op Zoom. Je ziet er goed uit. Je hebt je wat opgemaakt en je hebt een spijkerbroek en een paarse coltrui aan. We zeggen wel dat het bij mensen om het innerlijk gaat en niet het uiterlijk, maar uit allerlei onderzoeken blijkt toch dat het in de eerste instantie wel degelijk om het uiterlijk gaat. Maar als ik naar je kijk denk ik dat je gewoon mooi van jezelf bent. Dat jij weinig nodig hebt om toch gewoon mooi te zijn. Ik heb je een maand geleden ontmoet op het strand van Burg Haamstede. Onze honden speelde met elkaar en we raakte aan de praat. Toen ik zei dat de natuur zo mooi was en dat je zolang je kon moest genieten van de natuur en het leven. Zei je, ‘daar heb je volkomen gelijk in, maar wat als je door toedoen van anderen als kind al beschadigd bent? Want dan wordt genieten van de dag een stuk moeilijker. Dan is het vaak overleven.’ Ik moest zeggen dat dat bij me binnen kwam. Mijn interesse in jou was gewekt, want ik voelde intuïtief dat jij iemand was met een bewogen verleden. Jij beschreef in die paar woorden dat het leven niet vanzelfsprekend was. Ik keek je aan en je glimlachte, en vooral de blik in je ogen hadden een indringende maar ook een droevige uitdrukking. Sommige mensen hebben iets in hun blik, iets mysterieus, magisch of gewoon iets aantrekkelijks. Anderen hebben een bepaalde droevige uitdrukking, alsof hun ogen al veel te veel narigheid hebben gezien. De manier waarop iemand kijkt verraad al vaak hoe hij of zij over bepaalde dingen denkt. Bewust of onbewust, had jij de capaciteit om dwars door mensen heen te kijken. Althans, zo voelde dat. Misschien heb je dat zelf helemaal niet door, maar bij jou had ik het gevoel dat anderen je niets meer wijs konden maken, omdat jij ze toch wel door had. Ik vroeg me toen af of je deze eigenschap altijd al had gehad of dat het leven je dit geleerd had. Je zag er slank uit, je had wat grijze haren, maar het meeste was nog donderbruin. Je kon zien dat je een vrouw van rond de zestig was, dat wel, maar voor je leeftijd zag je er goed uit. Er was niets aan je te zien dat er op wees dat je het nodige had mee gemaakt. ‘Ja zei ik, ´dat zal voor iedereen anders zijn, want de lens waardoor wij de wereld zien is voor iedereen anders.’ ’Precies,’ zei je. ‘Want wanneer iemand door wat hij of zij allemaal heeft mee gemaakt de wereld met andere ogen bekijkt dan wijzelf, krijgen we al snel de neiging om te zeggen dat diegene het fout heeft. Terwijl hij of zij door opvoeding en ervaring zo geconditioneerd is dat zij de dingen alleen vaak nog op die manier kunnen bekijken, voor hun is het zo. Je zult verbaast zijn als je situaties eens vanuit iemand anders zou kunnen bekijken. Dan zouden mensen niet zo snel meer oordelen en dan zou er veel meer mededogen zijn,’ zei je toen weer. Ik begreep toen dat je niet dom was en dat je een realistische kijk op het leven had. Ik dacht toen dat jij misschien wel dingen had moeten doorstaan waar ik alleen maar nachtmerries van zou hebben. Ik vertelde je toen dat ik schrijfster was en dat mijn interesse in jou gewekt was. Ik wilde heel graag jou levensverhaal horen en ik wilde het opschrijven. Ik vertelde je dat niet iedere biografie of elk familieverhaal breed en diepgaand van opzet hoeft te zijn. ´Jij bepaald zelf wat je wilt vertellen en hoe diepgravend je wilt gaan,’ zei ik.
Je keek me doordringend aan en zei toen, ´mij is op een gegeven moment ook verteld, dat de werkelijke basis van je leven vrijheid en genieten is. Er is mij verteld dat het de bedoeling is dat wat latent in je aanwezig is te ontwikkelen, te ontvouwen. Maar de door anderen opgeworpen blokkades die zijn gaan zitten in heel je wezen maakt dat verdomt moeilijk. Want dan moet je eerst die blokkades op gaan ruimen en ik ben daar z`n beetje mijn hele leven mee bezig geweest. Kinderen zijn nog puur en ongeschonden, zij weten nog niets van goed en kwaad, ze zijn als een onbeschreven blad. Vanaf onze eerste ademhaling worden we bezield met de allergrootste kracht binnen het universum, de kracht om de mogelijkheden van wat latend allemaal in ons zit om te zetten in positieve eigenschappen en talenten. Maar dan moet deze kracht niet door opvoeding en scholing geblokkeerd worden. Kinderen staan nog open voor alles om hun heen, maar als opvoeders, leerkrachten en anderen volwassenen kinderen in een bepaald keurslijf gaan kneden en hun bekrompen en soms zelf beschadigde geest op kinderen projecteren wordt de innerlijke kracht, waar ieder kind mee geboren wordt als het ware vermoord. Iemand die in haar kindertijd geestelijk mishandeld is door opvoeders, of door een leerkracht ontwikkelt waarschijnlijk een onbewust emotioneel pijngevoel dat actief wordt in elke situatie die ook maar in de verte lijkt op haar oorspronkelijke pijn van geestelijk mishandeld te zijn. Het gedrag en de daden van andere mensen hebben invloed op je voortbestaan.’ Ik knikte begrijpend en zei,´ Ik hoor wat je zegt, des te meer is mijn nieuwsgierigheid naar jou levensverhaal gewekt.’

We gingen in een strandtent koffie drinken en wisselde onze naam en telefoonnummers uit. ‘Hoe mooi is de wereld om ons heen! Het opkomen van de zon in het oosten en ondergaan in het westen. De zee is zo imposant en de golfslag van het water zo rustgevend. Het is mooi omdat het in mij een gevoel van harmonie, van verwantschap met de natuur oproept. Ik wordt daar altijd zo ontspannen van,’ zei je, en toen zweeg je weer. We keken naar de zee en inderdaad, heel bewust nu, hoorde ik het geluid van de aanspoelende golven op het strand. ‘Ik moet er echt eerst nog goed over nadenken. Mijn levensverhaal is niet echt verschrikkelijk. Er zijn miljoenen mensen die het duizenden malen slechter hebben getroffen dan ik,’ zei je toen ineens. ´Ik geloof dat ieder mens in het leven in meer of minder mate beschadigingen en deuken oplopen. Veel mensen zeggen misschien dat er niks aan de hand is, doen vaak alsof, vegen het weg onder het vloerkleed, maar we weten inmiddels dat ieder mens wel een deukje in het leven heeft opgelopen. De gradaties daarin verschillen. Wanneer we in onze kindertijd veel zijn afgewezen zoeken we vaak allerlei maniertjes op om maar geliefd te worden door anderen. Zo heeft ieder mens wel zijn eigen overlevingsstrategie ontwikkeld die men toepast om de kans van het oproepen van de diep verstopte pijn, en angst zo klein mogelijk te maken, om zeg maar te overleven. Vaak ten koste van onszelf. Ten koste van wie we werkelijk zijn.’
Toen zweeg je en even zeiden we beiden niets. ‘Je overvalt me wel met dit voorstel. Gun me even de tijd om hier goed over na te denken en bel me maar over een week,’ zei je.
En ik maakte een week later al een afspraak met je.
Een maand later zitten we hier in dit Café. Ik heb een notitieblok en een opnamerecordertje op tafel gelegd. Nogmaals leg ik je uit dat jij zelf bepaald wat je wil zeggen. Na een beleefdheid gesprekje zet ik het opnamerecordertje aan en stel ik me nogmaals aan haar voor: ‘Ik ben Els Streuper. Ik ben vijftig jaar, getrouwd met Jaap, ben auteur en heb verschillende boeken op mijn naam staan. Ik schrijf een wekelijkse column in het weekblad “Vandaag”. Zoals besproken wil ik het levensverhaal van Hanna Hiemstra gaan schrijven.´
´Wat kan je me over jezelf vertellen, wie ben je?’ vroeg ik haar.
Ze kijkt me even heel doordringend aan en zegt dan met trillende stem, ´Mijn naam is Hanna Hiemstra, ik ben al 43 jaar getrouwd met Hans van der Heide en ik heb twee kinderen. Even heb ik getwijfeld of ik het verhaal over mijn leven wel wilde vertellen, want het is heel persoonlijk. Er knaagt wat, maar ik denk dat dit een deel van mijn geconditioneerde verleden is dat door dit verzoek van jou is waker getriggerd. Ik heb mezelf afgevraagd of het schrijven over wat er allemaal in mijn familie gebeurd is mijn familie niet in een negatief daglicht zet. Maar dan zou ik weer toegeven aan de valse schaamte en het in de doofpot stoppen van gebeurtenissen die voor al mijn broers en zussen bepalend zijn geweest. Bovendien weet ik nu dat ieder huisje zijn kruisje heeft en dat in ieder gezin het nodige gebeurt. Daar hoef je je niet voor te schamen, dat is gewoon de realiteit van het leven. Het is het schijnheilige oordeel van anderen, hun gepeeld doen alsof er bij hun vroeger nooit iets is gebeurd, waar voor je geneigd bent weg te lopen. Er is mij als kind altijd verboden de familiegebeurtenissen openbaar te maken. We mochten nooit over wat er in ons gezin gebeurde met anderen spreken. Ik zal het zo min mogelijk over mijn broers en zussen hebben, want ik wil niet dat wat van hun persoonlijk is, aan de grote klok hangen, dat is vertrouwelijk. Het verleden, de energetische band die met je familie hebt maakt het verdomt moeilijk om daarover te praten. Zij staan er allemaal op hun manier in. Toch zal ik je straks iets vertellen over familieverraad, omdat dit op mij een enorme impact heeft gehad. Ik zal geen namen noemen. Ik zal het wel geregeld over mijn tweelingzus hebben. Want de eerste jaren van ons leven waren we altijd samen. Mijn tweeling zus heet Ruth en tot op de dag van vandaag trekken we nog heel veel samen op en wat voor mij geldt, geldt in grote lijnen ook voor Ruth, alleen de details zijn anders. Ik kom uit een streng Katholiek gezin. Ons gezin bestond uit een vader, moeder, drie broers en vijf zussen. Mijn ouders zijn inmiddels overleden, en ik mis hun nog iedere dag,´ zei Hanna.´
Ik merk dat Hanna wat nerveus is. Ik stel haar gerust en zeg nogmaals dat zij zelf bepaald wat ze kwijt wil.
Dan pakt Hanna papier uit haar tas en leg dat voor mij op tafel. ´Lees dit,´ zeg ze. ´Wat hierop staat beschrijft in grote lijnen wat mijn leven grotendeels bepaald heeft.´ Op het eerste papier staat een tekst van een liedje gemaakt en gezongen door Herman van Veen
Wie heeft de zon uit jouw gezicht gehaald
wie heeft het licht in jou gedoofd
wie heeft je rooie wangen bleek gemaakt
wie joeg de dromen uit je hoofd
wie brak jouw kleine hart
kleurde je ogen zwart
wie is niet nagekomen wat hij heeft beloofd?

Wie heeft het lachen in jouw keel gesmoord
heeft je vuisten zo gebald
wie heeft dat onbevangen kind vermoord
dat altijd opstaat als het valt
wie boog jouw rechte rug
trapte je speelgoed stuk
wie brak jouw vleugels in de vreugde van hun vlucht?

Wie is er zo aan jou voorbijgegaan
wie verraadt hier jouw geloof
wie hield zich voor het kraaien van de haan
na de derde keer nog doof
wie is het die vergat
dat jij de toekomst had
wie heeft jou net als ik te weinig lief gehad?

Ik las het en ik werd opnieuw in mijn hart geraakt. Ik keek haar aan terwijl ik zei, ´dit raakt me diep in mijn hart Hanna.´ ´Ja, ´maar geloof me er zijn miljoenen kinderen waar deze tekst op van toepassing is,´ zei ze. Toen pakte ik het tweede papier en daar stond de tekst van een liedje van Robert Long op.

Toen ik bij jullie at en je vader gebood
Dat ik tijdens ’t bidden m’n ogen sloot
Gaf ik toe, daar ik niet arrogant wilde lijken
Maar ik voelde hoe hij wel naar mij zat te kijken.
En vanaf dat moment heb ik altijd geweten
Dat dat niet enkel gold voor ’t gebed bij ’t eten
Zodat ik toen die maaltijd meteen al betreurde
Hij beheerste je leven tot in ’t absurde.
En op zondag het bos in, dat mocht dan nog wel
Net als in de romances van ’t weekblad Libelle
Maar als ik op zondag dan je hand wilde vatten
Nou dan keek je alsof ik je kuisheid wou jatten.

Want ’t leven was lijden, als je danste een heiden
Als je lachte te luchtig, als je kuste ontuchtig
Als je niet wilde werken of je ging niet ter kerke
Als je lui in de zon lag, als je fietste op zondag
Kortom alles was verkeerd, want dat had je geleerd.
’t Was verdomde moeilijk om jou te versieren
Want je zag haast geen kans om je teugels te vieren

Elke keer moest ik weer je complexen verdringen
Ja, ik mocht naar de kerk maar ik kon nooit eens zingen.
Een keer sliep je met mij maar je was niet alleen
Want de satan of wie ook hing steeds om je heen
Als die er niet was was je vader d’r wel
Met een spreuk uit de bijbel van zonde en hel.
Ja, ze hebben je leven wel grondig vergald
En je kans op wat liefde en vriendschap verknald
Wat men jou heeft geleerd is de angst om te leven
Om je borsten, je dijen, je hart echt te geven.
Kom, ik stap maar eens op want ik ben overbodig
Heel veel sterkte voor later
Want dat heb je wel nodig.
´In deze tekst gaat het over een vader die op een fanatieke, ongezonde manier gelovig is, maar in mijn geval was het mijn moeder die door haar geloof tot in het ´t absurde werd beheerst. Haar leven draaide zeker tot ze een jaar of zestig was om het geloof. Mijn moeder is opgevoed met een zeer strengen, moraliserende, idiote zeden leer. Wat voor heel veel ellende en strijd heeft gezorgd,´ zei Hanna. ´De kerk, het roomse geloof, de pastoor genoot veel maatschappelijk aanzien in die tijd en daar keek ze tegenop.’

´Wat herinner jij je daar nog van,´ vroeg ik.
´Wel we moesten altijd voor het eten en slapen bidden en we moesten altijd netjes gekleed, naar de kerk, zei ze. ´Ik weet nog goed dat de pastoor regelmatig bij ons op visite kwam. In die dagen speelden priesters een grote rol in de maatschappij en waren toen ook duidelijk zichtbaar in het dagelijks leven. In die dagen was de Katholieke kerk erg machtig. Ze hersenspoelde mensen en ontnamen zo hun autonomie. Ik zie dat zo,´ zei ze op een manier die geen tegen spraak duldde. ´De pastoor, maar ook op de katholiekenschool werd er verteld over hel en verdoemenis. Kinderen werden zo gemanipuleerd, gedrild en bang gemaakt. Meneer pastoor kwam vroeger bij ons thuis om mijn ouders te vertellen dat het huwelijk er was voor de voortplanting, dat dat de wil van God was. De Rooms katholieken mensen van vroeger waren een soort van marionettenpoppen, hun eigen denken was al in de kiem gesmoord en aan de touwtjes trok de kerk en meneer pastoor. Het huwelijk was door God ingesteld, bedoeld voor de voortplanting en de opvoeding van kinderen in de katholieke geest. De katholieken mochten niet aan geboortebeperking doen, voorbehoedsmiddelen waren uit den boze. Echtparen werden door de kerk gestimuleerd om grote gezinnen te stichten. Ze vergaten er bij te zeggen hoe je al die kinderen op een fatsoenlijke wijze op moest voeden en groot moest krijgen. In de jaren vijftig was Nederland nog herstellende van de oorlog en was er nog armoede.´

Hanna nam een slok van haar koffie en keek me even zwijgend aan.

´Mijn moeder deed gehoorzaam wat meneer pastoor zei, want dat was ze geleerd, ´vertelde ze verder. ´Ze wist niet beter en dacht dat het zo hoorde. Ze was zo overtuigd van de waarheid van haar geloof. Maar even voor alle duidelijkheid,’ zei Hanna wat heftig. ‘De kerk gelooft in de Bijbel als geopenbaard boek, maar ik geloof daar al lang niet meer in. Want wat is er van de Bijbel waar? En door wie is de bijbel geschreven? Er zijn geen concrete bronnen gevonden die informatie geven over het allereerste begin van het christendom in de eerste helft van de 1e eeuw. Het ontstaan van de bijbel is ondertussen wetenschappelijk en geschiedkundig onderzocht en men weet inmiddels dat de mensen die het nieuwe testament opgeschreven hebben geen directe leerlingen van Jezus waren. Toen Jezus leefde waren de Romeinen de baas in Palestina. De Romeinen geloofden toen in meerdere goden. De Romeinse religie was de staatsreligie. Toen na de dood van Jezus zijn leer van mond tot mond werd verspreid is het Christendom pas ontstaan en jaren later pas opgeschreven. Maar het eerste christendom veroorzaakte toen ook een enorme strijd tussen bevolkingsgroepen. En de eeuwen daarna werd er geregeld iets in de geschriften van de eerste christenen weggehaald, veranderd en aangepast aan de geloofsinzichten van die tijd. De vondst bij Na Hammadi, maar ook de vele andere christelijke geschriften die eeuwen na de jaartelling gevonden zijn, leert ons een ander soort spiritualiteit kennen uit de eerste eeuwen van onze jaartelling. Een spiritualiteit die niet past in wat we nu kennen als de Bijbel en daar wil ik het maar bij laten, want ik weet dat ik met deze mening een hoop mensen tegen het zere been schop.’

Dus ik ging hier niet verder op in en vroeg toen. ´Hoe werd er dan bij jullie thuis met seks omgegaan.´

´Er mocht niet over gesproken worden. Alleen binnen het huwelijk mocht aan seks gedaan worden, voor het huwelijk met elkaar naar bed gaan was uit den boze. Ik geloof dat mijn moeder zich nooit uitgekleed heeft waar mijn vader bij was. De liefde bedrijven gebeurde in het donker en ze deed alleen haar onderbroek daarvoor uit. Ze heeft er nooit van genoten. Haar seksuele gevoelens zijn nooit tot ontwikkeling gekomen en mocht dat wel het geval zijn geweest dan heeft die waanzinnige Katholieke zedenleer van toen er wel voor gezorgd dat die gevoelens uitgeroeid en vernietigd zijn. Ik heb mijn ouders nooit zien kokkelen of zien zoenen.´
Hanna had geen genade voor het Rooms Katholieken Geloof en kerk van toen. Hoe was dat voor jullie? Wat deed die extreme zedenleer met jou?
‘Wel wij hebben geleerd dat seks iets onzedigs, vies en slecht was. En dat alleen slechte meisjes en hoeren het voor het huwelijk deden. Een meisje of ongehuwde vrouw die geslachtsgemeenschap had gehad met een man, werd als gevallen, slechte, hoerige vrouw bestempeld en werd met de vinger nagewezen. Je was een slet, een hoer. In die dagen was dat een grote schande. Een schande die vele Rooms Katholieken ouders van toen niet konden dragen. Het dubbele in die tijd was dat een jongen of een man niets kwalijk werd genomen. In die tijd werd er nauwelijks stilgestaan dat er ook meisjes waren die door een jongen gedwongen werden om seksueel verkeer te hebben. Ons is altijd verteld dat nette meisjes het niet deden. Nette jongens misschien wel, maar zeker niet met nette meisjes. Dus ik, maar ook mijn zussen waren op seksueel gebied behoorlijk beschadigd.’

‘Hoe was bij jullie thuis de taak verdeling,’ vroeg ik.

‘Mijn vader werkte in de winkel, die hij van zijn ouders had overgenomen. Hij werkte van s` morgens vroeg tot na zessen s` avonds. Het was een lieve, zorgzame man. Hij was zacht van aard. Hij had alleen op de zondag vrij. Mijn moeder zorgde voor het huishouden en de kinderen. Ze was altijd bezig met het huishouden en met het maken van kleren achter de naaimachine. Ze was zorgzaam en deed wat nodig was om het huishouden draaiende te houden. Mijn moeder had het vroeger bij ons thuis voor het zeggen en mijn vader probeerde zoveel mogelijk mijn moeder te ondersteunen. Ik weet dat mijn moeder een paarmaal overspannen is geweest. Dat heb ik later gehoord van tantes. Dat kan ook niet anders met negen kinderen, een dood geboren kindje en de nodige miskramen er nog eens tussendoor. Ze deed haar best, maar kon het soms gewoon niet aan. Je moet niet vergeten dat er met ieder kind wel eens wat gebeurde waarover zij zich zorgen maakte. We hadden heel veel fantasie, speelden veel buiten. We waren geen lieverdjes. De seksuele ontwikkeling begint wanneer kinderen nog heel klein zijn. Het is heel natuurlijk dat kleine kinderen geïnteresseerd zijn in hun eigen geslachtsdelen. Maar wij wisten toen al dat we die niet mochten aanraken omdat dat vies en slecht was. Als wij dan “vadertje en moedertje” of “doktertje” wilde spelen werd ons dat verboden. Natuurlijk hebben wij dat dan wel stiekem gedaan, maar dan voel je je als kind heel slecht want het besef dat dit slecht en niet goed was overheerste toen al. Ik herinner me ook nog als de dag van gisteren dat mijn moeder vaak tegen Ruth en mij zei dat wij maar nonnetjes moesten worden en God moesten gaan dienen. Ik weet nog goed dat ik daar als kleinkind al een gevoel van walging over kreeg als ze dit tegen ons zei. Want ze had ons immers ook van haar eigen lagereschooltijd bij de nonnen verteld en dat was absoluut geen pretje geweest. Ook mijn moeder was door de nonnen minderwaardig, onrechtvaardig en respectloos behandeld. Dat soort dingen breken je vleugels in de vreugde van de vlucht. Het breekt iets in je terwijl je nog bezig bent je latente talenten en eigenschappen te ontvouwen, het blokkeert je groei.´

‘Kan je daar iets meer over vertellen Hanna,’ vroeg ik zacht.

Ze nam weer een slok koffie en keek langs me heen naar buiten. Ze zuchtte en ik zag dat haar blik droevig was. ‘Wel ik heb leuke, plezierige en liefdevolle herinneringen aan mijn kindertijd, maar ook veel pijnlijke en slechte herinneringen. In een groot gezin geboren worden heeft meestal als consequentie dat er te minder tijd en aandacht voor je is. Ieder kind is de eerste jaren van zijn leven afhankelijk van zijn opvoeders. En ook hele kleine kinderen hebben de oer drang er te mogen zijn. Het is als het ware een nog niet ingevulde blauwdruk die door liefde, affectie, knuffels en aandacht ingetekend moet worden. Maar als moeder en of vader het veel te druk hebben met allerlei andere zaken dan krijgen de kinderen minder aandacht. Eten en drinken zijn levensnoodzakelijk, maar liefde, warmte, knuffels en aandacht evenzeer. Ik denk dat wij echt op tijd verschoont werden en voldoende eten en drinken hebben gehad. Ik weet ook wel dat mijn ouders van ons hielden. Maar de oer behoefte aan affectie, knuffels, liefde, warmte daar was bij ons in het gezin, minder tijd voor. We zullen die best ook wel gekregen hebben, maar ik denk toch te weinig. Het was gewoon veel te druk. Er waren toen al vier kleine kinderen en mijn moeder deed de was toen nog met de hand. Ik heb ergens gelezen dat dan al verlatingsangst kan ontstaan. Je bent als kleinkindje voor je welzijn, groei en ontwikkeling afhankelijk van je ouders en dit gevoel is een realistisch gevoel, want je ouders moeten je verzorgen en koesteren omdat je dat zelf nog niet kan. Te weinig aandacht, te weinig knuffels, aanraking ect veroorzaakt al heel vroeg bij kleine kinderen een gevoel van afwijzing en dit wordt op een gegeven moment je blauwdruk.´

´Hoe druk was het dan vroeger bij jullie thuis, ´vroeg ik Hanna.

´Ik weet dat met zoveel kleine kinderen het hard werken was om alles draaiende te houden. Vergeet niet dat alles toen nog met de hand gedaan moest worden. Er was een voor en een najaar schoonmaak. Mijn moeder plukte zelf bramen en appels en maakte daar jam en appelmoes van. Huisvrouwen in die jaren moesten ook nog eens kunnen toveren met het huishoudgeld. Alles werd nauwkeurig in een huishoudboekje genoteerd. Gehaktballen maakten ze met veel beschuit of oud brood. Van oud brood maakte ze brood pap. Niets werd er weggegooid. Sokken werden gestopt en kleding versteld. De jaren na de oorlog werden getekend door wederopbouw maar ook door schaarste en armoede. Eind jaren 50 was het rustig in Bergen op Zoom, je kon gewoon op straat spelen, of meerijden bij iemand anders op de fiets. Toen we een jaar of drie of vier waren mochten we al buiten de tuin spelen. Het was een tijd van burgerlijkheid. De zedemoraal van de Rooms Katholieken kerk was toen nog idioot streng. En mijn ouders moesten ze zich conformeren aan die zedenleer anders lagen ze er bij de kerk en dus bij God uit. Als mijn moeder om wat voor reden dan ook gespannen was dan uiten zij dat door met een verhard gezicht en afstandelijk te reageren. Ze was dan bot en ik begreep in de meeste gevallen niet waarom. Niemand van ons begreep dat toen. Ik voelde dan z`n afwijzing, verwijdering en afstand en dacht dat het door mij kwam, ik kon dat niet plaatsen. Onze fysieke omgeving heeft grote invloed op onze instelling en ons gevoel van welbevinden. Ook al kan een kleinkind nog niet rationaliseren en begrijpen ze daardoor nog niet wat er precies aan de hand is, ze pikken de sfeer, de spanningen die in huis aanwezig zijn of die iemand uitstraalt feilloos op. Ik was dan verbijstert en voelde dan z`n angst, had een enorm schuldgevoel en probeerde dan de dingen op de manier te doen zoals mijn moeder dat van ons wilde. Ik was loyaal naar haar. Maar in die dagen werden dingen niet uitgelegd, er werd niet gecommuniceerd, het begrijpend denken werd bij ons thuis vroeger niet gestimuleerd door tekst en uitleg te geven over wat er speelden of waarom wij ons op een bepaalde manier diende te gedragen en wat de consequenties konden zijn van ons gedrag. Er werd ons dingen verboden en daar moesten we het mee doen.´

´Mochten jullie thuis wel spelen,´ vroeg ik haar.

´Oh ja, we mochten thuis altijd spelen. Mijn ouders waren geen slechte mensen, helemaal niet zelf. Zij waren toegewijd, en vrijgevend. Maar mijn moeder kon z`n groot gezin vaak niet aan. Bovendien was ze zelf beschadigd door dat achterlijke Roomse geloof. Ze deed zich sterker voor dan ze was. Ze wilde het leven naar haar hand zetten, onder controle hebben. Ze wilde haar zaakjes op orde hebben, in de praktijk deed ze daar ook alles voor en liep ze misschien daarom wel op eieren en raakte ze gestrest. Ze mocht van zichzelf niet falen. Angst om te falen bezorgde haar een hoop stres.´

Toen pauzeerde Hanna even. Terwijl ik niets zei en afwachtte.

´Ik heb ook hele fijne en warme herinneringen aan mijn jeugd. Mijn ouders probeerde ons een thuis te geven. Mijn moeder stimuleerde ons in knutselen en tekenen en deed daar tussendoor ook zelf aan mee. We mochten ook altijd vriendinnetjes meenemen. We woonden vroeger in een heel groot huis in de Wijngaardstraat hier in Bergen op Zoom. Het huis had een grote zolder en onder ons huis was een kleder. Mijn moeder spaarde allerlei lege doosjes, knoopjes en andere dingentjes voor ons. We hadden op de zolder van een oude strijkplank, boekenkast, wat oude gordijnen en een wasrek een winkel gemaakt. Van mijn vader hadden we een oude kassa gekregen. Fantasie hadden we genoeg en we hebben als kinderen heel veel op de zolder gespeeld. Mijn moeder kon ook prachtig verhalen vertellen. Dan zaten we met z`n allen in de kamer en dan luisterde we muisstil naar haar. Ze deed echt heel erg haar best. Ze leerde ons ook cake en koekjes bakken. En met sinterklaas was er altijd voor iedereen een cadeautje. Later hoorde ik dat ze daar een heel jaar lang voor gespaard had en dat ze voor sommige cadeautjes zegels gespaard had en ingeleverd had in ruil voor een cadeautje. Mijn ouders deden hun best om daar een echt kinderfeest van te maken. Mijn moeder kon toveren met geld. We hadden het toen niet breed. Maar toch heb ik nooit honger geleden. Ze kon ook toveren met eten, ze maakte van een twee blikje cornedbeef en wat uien de lekkerste hachee. Ook van Kerstmis maakte mijn ouders een feest. Midden op de salontafel stond een grote kerststal en aan de muur hingen hier en daar wat papieren kerstklokken. Met de kerst kwam mijn oma, de moeder van mijn vader altijd bij ons. Dat was een lief mens. Van tevoren had mijn moeder al grotendeels het kerstdiner klaargemaakt. Ze vertelde dan het kerstverhaal. We moesten natuurlijk dan ook naar de kerk, maar dat vonden we niet erg, want in de kerk stond in de Mariakapel een levensgrote kerststal. Prachtig vonden we dat. Er werden dan kerstliederen gezongen en overal branden er dan kaarsen. Mijn ouders waren vrijgevige mensen, bij ons kon ook altijd iedereen mee eten en soms logeerde er voor langere tijd wel eens een ander kind bij ons omdat bijvoorbeeld de moeder van dat gezin voor langere tijd in het ziekenhuis lag. In principe kon bij ons thuis alles. Ja ik herinner me dat als een warme en gezellige tijd.’

‘En wat voor rol speelde je vader in die tijd?’ Vroeg ik Hanna.

‘Mijn vader was een schat. Hij werkte hard. Als hij vrij was ondersteunde hij mijn moeder met allerlei huishoudelijke karweitjes en op de zondagmiddag nam hij ons altijd mee en gingen wij naar het bos, speeltuin, of naar het strand. Dat deed hij ook zodat mijn moeder een paar uur even geen kinderen om haar heen had en die dingen kon doen waar ze anders niet aan toe kwam. Mijn vader was dyslectisch, waar men toen nog nooit van had gehoord. Hij was enig kind en zijn ouders behoorde toen tot de hogere sociale klasse. Ik denk dat hij als kind ook vaak is afgewezen en niet goed genoeg bevonden is. Het was een dood goede man, absoluut niet dominant, hij kon dus ook niet tegen mijn moeder op. Mijn moeder kleineerde hem vaak waar wij bij waren. Ze voelde zich niet door hem gesteund. Toch kan ik zeggen dat ik mede dankzij mijn vader een fijne jeugd gehad heb. Maar het geconditioneerde verleden van mijn moeder, de combinatie geloof, achterlijke zedenleer, kerk, huishouden, het opvoeden van negen kinderen, een doodgeboren kindje en de nodige miskramen dreef haar wel eens tot waanzin. Dat kwam ook omdat ze een valse schaamte bezat, die ik trouwens nooit begrepen heb. Ze was altijd bang voor de mening of reactie van anderen. Het leek wel of ze zich schaamde voor z`n groot gezin waar van alles in gebeurde. Of dat ze zich schaamde voor het gedrag, en de prestaties van haar kinderen. Ze hield voor de omgeving de schijn op dat bij ons in het gezin alles goed ging. Ze waarschuwde ons ook altijd dat wij bepaalde dingen tegen niemand anders mochten zeggen. Of ze zei, ‘wat zullen de buren wel niet denken. En ze keek enorm op tegen de hogere sociale klassen, tegen de dokter, rechter, een advocaat, directeur, de pastoor, de burgemeester, het gezag enz. Wij mochten bijvoorbeeld niet spelen met kinderen die in haar ogen uit asociale gezinnen kwamen,’ zei Hanna.

‘Welke herinneringen heb je nog meer aan je kindertijd,’ vroeg ik.

‘Wel mijn moeder kon heel goed naaien en ze heeft mij op een oude trapnaaimachine poppenkleertjes leren maken. En `s zomers gingen wij als het mooi weer was s `zondags op de fiets naar de Grevelingen. Mijn vader had toen een bakfiets waar alle spullen in werden gezet, plus de twee jongste kinderen. Dat was echt zwaar trappen, maar hij deed het toch maar. Toen ik negenjaar was gingen wij als één van de eerste kamperen op een camping bij Wemeldinge. Echt dat was een fijne tijd. We speelde veel in het water en bouwde hutten in het bos,’ zei ze.

‘Maar wie heeft het lachen dan in jouw keel gesmoord en heeft je vuisten zo gebald,’ vroeg ik Hanna.

‘Ja dat is niet één ding, niet één gebeurtenis, maar daar hebben verschillende gebeurtenissen en verschillende volwassen mensen voor gezorgd,’ zei ze. ‘Laat ik beginnen om je te vertellen dat ik en de meeste van mijn broers en zussen dyslectisch zijn. Vroeger wist men helemaal niets van het bestaan van dyslectisch af en was je gewoon dom. Daarnaast neem ik hoofdzakelijk beelden waar. Beelddenken is een andere manier van geheugenopslag wat in het overgrote deel uit beelden bestaat, soms zelfs aangevuld met de zintuigen die op dat moment ingeschakeld worden. Voor ons waren abstracte begrippen heel moeilijk voor te stellen. We zagen er geen beeld bij en dus konden we daar weinig mee. Zo ook bij mij en bij Ruth. Deze eigenschappen blokkeerde ons om goed te leren lezen en schrijven. Al snel ontstond er bij mij het geloof dat ik dom en minderwaardig was. We ontwikkelde faalangst en we gingen daardoor onder ons niveau presteren omdat wij bang waren niet goed genoeg te presteren. Inmiddels is bekend dat wanneer een kind dat bang is om te falen dan vaak om moeilijkheden te vermijden nieuwe leerstof uit de weg gaat. Vroeger leken veel scholen op een soort van tuchtscholen. Zo ook de Rooms-katholieke kleuterschool. Op de kleuterschool mochten wij nooit zomaar het klaslokaal binnen. We moesten altijd gedisciplineerd en keurig in een rij de klas binnen marcheren. We moesten gaan zitten met onze armen over elkaar en er mocht niet ongevraagd gesproken worden, vreselijk was dat. Je was bij wijze van spreken als prooi aan de leeuwen over geleverd. Je moet niet vergeten dat je dan nog maar vier, vijf jaar bent. Die drilmethoden die de juf daar op de Rooms-katholieke kleuterschool hanterende heeft bij mij de zon uit mijn gezicht gehaald. Als kind kan je het kaft nog niet van het koren scheiden, dat ben je nog aan het ontwikkelen. Maar deze methoden was daar eerder een blokkade voor dan dat het daar een stimulans was.’

‘Zeg je nu dat de Rooms katholieken school van toen en hun manier van les geven op jouw een destructieve invloed heeft?’ vroeg ik Hanna.

‘Ja zeker, voor een kind dat dyslectisch is was er in die tijd geen plaats. En van pedagogiek en opvoedkunde hadden ze ook nog niet gehoord, althans niet bij de katholieken. Je telde pas mee als je goed was in taal, lezen, schrijven en rekenen. In die dagen waren Katholiekenonderwijzers zelf ook door opvoeding en kerk behoorlijk beschadigd. De één meer dan de ander natuurlijk. Maar de meeste kinderen kwamen in die tijd zeker niet ongeschonden uit een Rooms Katholieken opvoeding. En laat ik je wel vertellen een geschonden geconditioneerde geest richt zelf ook heel wat schade aan. Z`n persoon beoordeelt een kind aan de hand van zijn eigen geconditioneerde beschadigde behoeften en oh wee als z`n kind daar niet aan voldoen.’

Ik hoorde de harde toon in haar stem toen ze dit zei. En begreep dat het Rooms katholieken schoolsysteem van toen haar behoorlijk had beschadigd en dat ze daar nog boos om was.

‘Men was er toen nog van overtuigt dat een harde hand, dwang, discipline, orde en regel het beste was voor een kind. Het was gewoon terreur,’ ging ze verder. Die kleuterjuf ,Juffrouw van Voorn, was zelf, dat begreep ik natuurlijk pas vele jaren later, verknipt. Ze was verzuurd en had volgens mij een ziekelijke seksuele afwijking. Ik weet nog dat we nooit ongevraagd naar de WC mochten. Op een warme dag moest ik toen de school om 16.00 uur uit ging nog plassen. Ik vroeg dat niet aan de Juf omdat het niet onder schooltijd was, maar er na. Ik ging naar de WC en toen ik er van af kwam stond zij midden in de toiletruimte. Ze had een rood gezicht en haar ogen leken wel zwart. Ze pakte me beet en trok mijn onderbroek uit. Ik hoorde haar hijgen, daarna werd het zwart en weet ik niet meer wat er gebeurt is. Ik weet alleen dat ik weer bij bewustzijn kwam toen ik straten verder liep. Ik had geen onderbroek meer aan. Ik liep naar huis. Thuis gekomen ben ik gelijk naar boven gegaan en heb uit de linnenkast een schone onderbroek gepakt en die aangedaan. Ik was niet boos, alleen verdoof, verbaasd, en vol ongeloof en totaal niet begrijpend wat er was gebeurd. Ik hoorde later van mijn moeder dat ik toen ineens weer in bed begon te plassen terwijl ik al vanaf mijn anderhalf jaar zindelijk was. Ik heb toen niet verteld wat er op school gebeurd was. Ik wist het zelf niet eens, maar vanaf dat moment was ik doodsbang om naar deze tuchtschool te gaan. Er zijn mensen die ervan overtuigd zijn dat het kwaad niet bestaat en dat iedereen in wezen goed is. Als je ziet welk lijden en welke emotionele schade sommige mensen, maar ook deze kleuterjuf teweeggebracht heeft, lijken deze opvattingen zeer naïef en zelfs gevaarlijk. ’

‘Hoe heb jij de lagere school ervaren,’ vroeg ik Hanna.

‘Godsdienstles was een belangrijk vak en werd door de kapelaan en soms door de pastoor zelf gegeven, en wee je gebeente als je niet goed had opgelet. De pastoor kwam wekelijks op school om de catechismus te overhoren. Vaak kregen de kinderen die goed in catechismus waren op school als beloning devotieprentjes. Wij hebben er nooit één gekregen. Nee, ook de pastoor stak niet onder stoelen of banken dat wij beter ons best moesten doen wilde wij een plaatsje in de hemel veroveren. Een maal in de maand, op de donderdagmorgen moesten wij naar het Lof in de Katholieken kerk. Het Lof was een katholieke gebedsdienst met zang, waarbij het allerheiligste, wat dat dan ook mag zijn en de heilige hostie, aanbeden werd. Ook moesten wij eenmaal in de maand te biecht en dat deden we ook met heel de school. We zaten in een klas van vijftig kinderen. Ruth en ik moesten helemaal achteraan zitten. De klas werd met harde hand geleid door Juf van Wiegen wat een vreselijk mens was. Ze was super streng en gemeen. Tegenspraak werd niet geduld, medelijden was onbestaand. Als wij iets fout hadden gedaan dan kleineerde ze ons in het bijzijn van de rest van de klas. Ze greep je dan vast en trok je aan je oorlel naar voren. En voorin de klas waar iedereen je heel goed kon zien kleineerde ze je. Dan zei ze, ´kijk hier staat een dommerik, een nietsnut. Ze is te dom om zelfs voor de duvel te dansen. Kijk kinderen hier staat een kind dat niet wil leren, daar is ze te lui voor. Dit kind begrijpt niet wat ik zeg en het is de vraag of ze dat ooit zal begrijpen.´ En dan zette ze je in de hoek, waar je soms een paar uur in moest blijven staan. Ik herinner me dat ik vanaf het begin, toen we dus nog maar enkele weken op de lagere school zaten, heel erg verbaast was en dat ik geen kwaadheid vermoedde, het was een niet begrijpen, het was onbekend gebied voor mij. Maar het voelde zo bedreigend. Ik was een kind hoe kon ik weten dat er goed en kwaad was. We zijn emotioneel vernedering en gekleineerd door verzuurde Roomse onderwijzeressen,’ zei Hanna met een zachte stem.

Ik keek haar aan en zag een droeve uitdrukking in haar ogen.

‘Ja veel Rooms-katholieken mensen van mijn leeftijd en zeker de generatie van mijn ouders zijn het product van een waanzinnige zedenleer, en een hardvochtige, onverbiddelijk hersenspoel geloof. Ja, de Rooms Katholieken scholen van vroeger waren meer drilkazernes, er waren maar weinig leerkrachten die begrepen dat ze op een pedagogische manier les moesten geven,’ vertelde ze verder. ‘Althans zo heb ik het ervaren, dit is mijn mening. Soms wanneer wij een paar minuten te laat op school kwamen dan zei de juf dat we stout en ongehoorzame kinderen waren en dat stoute en ongehoorzame kinderen in de hel terecht kwamen. We werden nooit geprezen. Ze kneep ons bewust in de arm. Ik vond school vreselijk, mijn vertrouwen was tot op het bot geschonden. Ik voelde me daar niet veilig, niet thuis. Het was voor mij een straf. Ik moest me aan de grillen van de juf aanpassen. Daardoor ga je overleven. Nu weet ik dat het psychische kindermishandeling was en dat dit mensen voor het leven kan tekenen. Voor individuele aandacht was in die tijd geen tijd, een klas met veertig of vijftig kinderen was in die jaren geen uitzondering. Ik weet nog goed dat de twee dochter van de eigenaar van Vroom en Dreesman, die toen macht en aanzien had, dat privilege wel kregen, want zij moesten een klas overslaan. In die tijd heerste er sociale ongelijkheid. We moesten toen ook nog op zaterdagochtend naar school. Nee het was voor mij een vreselijke tijd.’

‘Jeetje,’ zei ik, ‘ja ik begrijp dat de schooltijd voor jou heel erg vervelend is geweest.’

‘Dat is zachtjes uitgedrukt,’ zei Hanna vinnig. Wij als kinderen hadden helemaal geen keuze, we zaten opgezadeld met de school die onze ouders voor ons uitgekozen hadden, waar leerkrachten die zelf vaak ook door het extremistische Rooms katholieken geloof van toen beschadigde waren, les gaven. Het Rooms katholieken geloof van toen was een hersenspoel-instituut. Als je al vanaf je kleuter zijn geconfronteerd wordt met een religie, zal je hier je gehele leven door gevormd worden. Ik weet nu dat hersenen zich ontwikkelen en organiseren in antwoord op ervaringen. Door de juiste stimulatie, zoals liefde, bescherming, aandacht en verzorging van de ouders, maar ook van andere volwassen mensen, vormen de hersenen de neurale verbindingen die nodig zijn om goed te kunnen functioneren. Maar wat als je emotioneel wordt mishandeld? Wat als anderen je zeggen dat je een mislukkeling bent? Wat als je altijd maar kritiek krijgt en het nooit goed doet? Een kind vernederen, in verlegenheid brengen in het bijzijn van anderen, is schadelijk voor de emotionele ontwikkeling van het kind. Het is net alsof je het kind een flinke klap geeft, maar dan met woorden. Het is de voedingsbodem voor een gebrek aan zelfvertrouwen. Schaamte en vernedering veroorzaken angst bij kinderen. Deze angst gaat niet weg als ze opgroeien. Ik heb daar heel veel last van gehad. Want als de normale ontwikkeling van de hersenen in groei verstoord wordt door zulk soort gebeurtenis, is het aannemelijk dat een kind daarop reageert met een overlevingsmechanismen. Dat is een overlevingsstrategie die bij alle zoogdieren voorkomt en ook bij de mens,’ zei Hanna met een wat harde stem.

´Ja,´ zei ik, ´ik begrijp je nu. Wat die onderwijzeressen met je hebben uitgehaald dat is ook beschadigend. En hoe gingen je ouders daar dan mee om? Wisten zij dat deze leerkrachten zo vernederend en respectloos met jullie omgingen.‘

‘In het begin niet. Ook mijn moeder ging er van uit dat Juffrouw van Voorn en Juffrouw van Wiegen te vertrouwen waren en dat ze hun best deden. Maar mijn oudere broers zaten ook op dezelfde Katholieken school en die hoorde wel eens wat en zij hebben het tegen mijn moeder verteld. Ja, ik moet zeggen dat ze furieus was en op hoge poten naar school ging. Ze heeft toen Juffrouw van Wiegen op haar gedrag aangesproken. Ja toen kwam mijn moeder voor ons op. Ze heeft toen Ruth, nog een jongere zus en mij van school gehaald en we moesten toen naar de openbare school. Dat was voor mijn moeder echt heel wat, want ze was overtuigt Katholiek en vond dat we ook Katholiek onderwezen moesten worden. Ik weet dat ze bezoek kreeg van meneer Pastoor die haar natuurlijk op de vingers tikte en wilde dat wij weer naar de katholieke school terug gingen, maar ze hield haar poot stijf. Toch ging ze erg gebukt onder haar beslissing want het druiste in tegen alles waarin ze geloofde. Er speelde zo veel. In die tijd ging het ook niet goed met de zaak en daardoor waren er ook spanningen tussen mijn ouders. We moesten bijvoorbeeld onze heilige communie doen, maar mijn ouders hadden geen geld om communiejurkjes te kopen. Mijn moeder is toen naar meneer pastoor gegaan en heeft daar om geld gevraagd zodat ze stof kon kopen, om dan zelf de communiejurkjes maken. Dat was voor haar z`n vernedering en schande. Maar ze heeft het wel gedaan. Ze zat dan `s avonds, als we op bed lagen, tot laat achter de naaimachine. Ja ze heeft zich dikwijls genoeg voor haar kinderen weggecijferd. Dat weet ik nu, maar als kind weet je dat niet. Als kind voel je de spanning. Je neemt haar non-verbale negatieve houding waar. Je hoort haar gemopper, en kritiek. Soms kleineerde ze je, door bijvoorbeeld te zeggen.´ ‘In Godsnaam, wat voor kinderen heb ik toch? Of, ‘zijn dan al mijn kinderen dom, waar heb ik dit toch aan verdient. Deugen ze dan nergens voor?’ Ze had zulke andere verwachtingen van haar kinderen en van het gezinsleven en ze was erin teleurgesteld. Ze wilde zo graag tros op haar kinderen kunnen zijn. Als kind voel je dit feilloos aan, je kan het weliswaar niet beredeneren, maar je voelt de spanning, het verdriet, de boosheid, en de teleurstelling. Als kind heb je behoefte aan geborgenheid, bescherming, liefde, respect, duidelijkheid, erkenning en waardering en aan die erkenning en waardering ontbrak het bij ons thuis wel eens. Ik had het gevoel dat ik niet goed genoeg was en nergens voor deugde. Waar ik het meeste behoefte aan had was dat ik als individu waardevol en goed genoeg bevonden werd. Dat ik er gewoon mocht zijn, maar helaas dat heb ik in mijn kindertijd niet zo veel mogen ervaren. Toch maakte ze zo af en toe wel waarderende opmerkingen. Ze gaf vaak complimentjes over de tekeningen die we maakte, of over wat we in elkaar geknutseld hadden. Ze zei dan dat we heel handig waren en dat wat onze ogen zagen onze handen konden maken. Mijn moeder is een paar maal overspannen geweest, iets dat ik nu weet en ook begrijp, maar als kind wist ik dat niet en begreep ik het ook niet. Ze reageerde dan kortaf en geërgerd en zei dan soms dingen waarvan ik zeker weet dat ze daar later veel spijt van heeft gehad, maar het had toen z`n impact op ons. Kinderen worden niet geboren met gedachten over zichzelf. Ze leren over zichzelf te denken door wat er tegen ze gezegd wordt en hoe ze behandeld worden. Ik heb als kind weinig het gevoel gehad dat ik er mocht zijn, dat ik gewaardeerd en geaccepteerd werd en de moeite waard was. Ik heb dus geen positief zelfbeeld ontwikkeld. De afbrekende en kleinerende opmerkingen van de juffen op school en de opmerkingen van mijn moeder hebben mijn zelfbeeld bepaald. Ik weet nu dat de manier waarop je over jezelf denkt je gedrag beïnvloedt. En dat was eigenlijk voor al mijn broers en zussen zo. Ik voel, terwijl ik je dit verteld een soort van schaamte en wroeging, alsof ik mijn moeder verraad. En dat is een rot gevoel, en ik wil mijn moeder niet verraden. Ik ben loyaal tegenover mijn ouders en hou van ze. Ik weet ook wel dat ze van ons hielden, en gezien vanuit het ontwikkelingsniveaus waar zij toen op zaten konden zij niet anders dan zo reageren, ook zij leverde een enorme innerlijk gevecht met hun geconditioneerde verleden. Maar dit neemt niet weg dat wat ik je verteld wel allemaal echt gebeurd is,’ zei Hanna zacht.

´Uit wat je me vertelt maak ik op dat je je ouders niets kwalijk neemt, klopt dat? ‘vroeg ik Hanna.

Nee natuurlijk neem ik hun niets kwalijk. In het begin, toen ik ging beseffen wat voor een negatieve impact de opvoeding en school op mijn heeft gehad, wel. Ik nam vooral mijn moeder dat kwalijk. Maar later besefte ik dat het Roomse Katholieke geloof, de kleuterjuf en de juf van de lagere school ook de nodige emotionele schaden hebben veroorzaakt. Ook besef ik dat het feit dat ik dyslectisch was er voor zorgde dat ik mezelf afkeurde en dom vond. Maar ik heb ondertussen niet stil gezeten. Ik heb de nodige cursussen gevolgd, heb workshop en seminars gevolgd, ben in therapie geweest en ik heb de nodige boeken over dit soort onderwerpen gelezen. Want, `The best project you´ll ever work on is you!’ Met andere woorden ik heb aan mezelf gewerkt. Ik heb mijn eigenwaarde en zelfrespect terug. Maar het grootste deel van mijn leven is er wel door bepaald. En de eerste de beste die me nu nog kleineert krijgt de wind van voren. Want ik ben dat wel zo zat. Ik word daar zo kwaad over. Mensen niet kunnen laten zijn, en naar je hand zetten is een misdaad tegen de mensheid. Zijn en laten Zijn is het einde van oorlog en pijn. Je mismaakt en beschadigd kinderen door je wil op te leggen en kinderen in een keurslijf te dwingen waar het bijna onmogelijk wordt omdat wat aan talenten en eigenschappen latent aanwezig is nog te ontplooien. Kinderen worden dan als het waren reproducties van hun opvoeders en kijk eens naar de wereld, wat heeft ons dat gebracht? Alleen maar ellende. Je hoort mensen zeggen dat de geschiedenis zich herhaald, nou dat is zo en de oorzaak ligt in het feit dat wij volwassenen kinderen in een keurslijf dwingen en dingen opleggen die voor ons zo zijn, maar het kind vleugellam maken. Kinderen kneden naar je eigen geconditioneerd verleden, denken dat kinderen alleen op die manier goed functioneren is de moord van de ziel van een kind. En het is helaas maar een enkeling gegeven zich daar aan te ontworstelen,’ zei Hanna.
‘Natuurlijk weet ik dat mijn ouders net zoals iedereen dat doet, onbewust reageerde op situaties die de pijn uit hun verleden wakker getriggerd had. Zij leden door toedoen van wat de Rooms Katholieken kerk, de school en opvoeding hun aangedaan hadden. Hun leven werd bepaald door wat zij ervaren hadden, werd bepaald door wat zij aan bekrompen regels en drogbeelden geleerd hadden. Je moet het ook zien in die tijdgeest. Nu in deze tijd zijn er allerlei cursussen en boeken voorhanden waar dit soort onderwerpen in behandeld worden. Er wordt op TV aandacht aanbesteed. Er wordt over dit soort dingen open gecommuniceerd en in tijdschriften geschreven. Er zijn nu opvoedkundige programma’s. Leerkrachten worden onderwezen in pedagogiek en opvoedkunde. In de tijd dat mijn ouders pas getrouwd waren bestond dat nog niet. Het kwam pas beginjaren zestig goed op gang. Voor mijn ouders wat het leven net een puzzel en zeker niet compleet. Mijn moeder zocht ook naar oplossingen, maar in die tijd lagen de opvoedkundige en pedagogische oplossingen niet voor handen. De raad die ze kreeg was dat ze moest bidden en op God moest vertrouwen. Toen mijn ouders rond de zestig waren gingen zij zich verdiepen in de antroposofie. Mijn jongste zusje ging toen naar de vrijeschool. De antroposofie bracht een enorme ommekeer in hun leven. Ze gingen toen het leven heel anders zien. Zij maakte toen z`n enorme bewustzijnsontwikkeling door. Mijn ouders werden toen ook echt elkaars maatjes. Ze gingen samen naar studiebijeenkomsten en samen bespraken zij de boeken die zij lazen. Ik kreeg toen een heel andere moeder. Haar bekrompenheid als het om het Rooms Katholieken geloof ging verdween en maakte plaats voor ruimdenkendheid. Zij werd milder als het om seksualiteit ging en kon praten over de psychische beschadiging die zij opgelopen had door dat achterlijke Rooms Katholieken geloof van toen zij nog een kind was. Mijn kinderen hebben een fijne, lieve en zorgzame opa en oma ervaren. Zij hebben daar alleen maar fijne en warme herinneringen aan. Mijn moeder heeft me toen pas verteld dat toen zij met mijn vader wilden touwen eerst bij de pastoor op huwelijksexamen moest komen. Daar werd hun geleerd dat God het huwelijk had bedoeld als opstapje naar een groot gezin. De vrouw werd verteld dat zij de man niet mocht weigeren omdat dit wellicht de oorzaak was van verstoring van de vrede en de harmonieuze huwelijksband en de andere partij er daardoor toe bracht te zondigen. Nee, ik neem mijn ouders niets kwalijk. Ik hou onvoorwaardelijk van ze. Zij deden hun best. Zij waren zorgzaam en probeerde op hun manier ons dingen bij te brengen. Zo hebben zij ons geleerd om te delen, voor elkaar te zorgen en elkaar te helpen. Respect te hebben voor andere mensen. We trekken er veel op uit, doen best leuke dingen met elkaar, gaan geregeld naar musea en exposities, ook dat hebben we van mijn ouders. Ik herinner me dat toen wij een jaar of achttien waren er sinterklaasavondjes werden georganiseerd. We moesten dan voor elkaar een cadeautje kopen en daar iets heel leuks van maken en er een gedicht bij doen. Dat was altijd heel gezellig. Er zaten dan z’n twintig mensen bij ons in huis. Waar ook nog eens de nodige versnaperingen voor verzorgd moest worden en dat kon allemaal. Ook werd er dan in de zomer met de hele bulk gebarbecued of in de winter binnen in huis, met alle kinderen en aanhang, gegourmet. Er kon vroeger bij ons thuis echt heel veel. Ik ben daar mijn ouders heel dankbaar voor. Mijn moeder had zich verdiept in de natuurgeneeswijze en ze plukte zelf geneeskrachtige kruiden in de natuur, droogde die en zette daar thee van als één van haar kleinkinderen of zij zelf niet zo lekker waren. Ze paste ook heel veel op de kleinkinderen en de kleinkinderen waren gek op hun opa en oma. Ze was gek op kippen en had dan ook een zestal krielkipjes die ze heel goed verzorgde. Toen haar moeder op vierentachtigen leeftijd plotseling overleden was en haar vader alleen over bleef bleek al gouw dat haar vader steeds meer vergeetachtiger werd. Hij werd dement. Het was nog in een vroeg stadium. Toen hebben mijn ouder mijn opa in huis genomen. Vijf jaar heeft hij bij hun in huis gewoond. Petje af hoor voor deze twee mensen. De meeste mensen die mijn ouders gekend hebben spreken met vol lof en respect over hen. Ze zien mijn ouders als geweldig lieve, zorgzame mensen en dat waren ze ook. Toen mijn ouders al oud waren hielpen de kinderen hun zoveel mogelijk bij allerlei dingen. Zoals met het huishouden, de boodschappen of hun naar een dokter, of ziekenhuis brengen. Toen zij ziek werden werd deze zorg nog intenser. Op de crematie van zowel mijn moeder als mijn vader zat de aula helemaal vol met mensen, er moesten zelfs mensen staan, daar was geen zitplaats meer voor. Ja zij waren geliefd en dat zegt ook iets over mijn ouders. Maar dat neemt niet weg dat de dingen die ik je verteld wel gebeurd zijn en dat ik daar over praten mag,’ zei Hanna.

We bestelde nog een kopkoffie. Even zeiden we geen van beiden wat, ieder verdiept in onze eigen gedachten.

‘Wat is je eerste herinnering,’ vroeg ik Hanna.

‘Dat is een hele warme, fijne herinnering. Ruth en ik werden vier jaar en we kregen toen onze eerste schildpadpop. De pop had kleertjes aan die mijn moeder zelf gemaakt had. Ik was daar zo gelukkig mee. We hebben wat met die poppen gespeeld. Later hoorde ik dat mijn moeder zegeltje had gespaard en door er wat geld bij te leggen had ze deze poppen voor ons kunnen kopen. Ik weet ook nog dat het leek of mijn moeder altijd met de was bezig was. Toen ik nog heel klein was werd de was nog met de hand gedaan. In grote ketels werd het water gekookt, de was erin en roeren maar en dan moest de was ook nog door de wringer gehaald worden. Vreselijk wat een werk. Uiteindelijk kwam er een wasmachine en een centrifuge. In de jaren vijftig veranderde de manier waarop vrouwen het huishouden deden er kwamen er steeds meer technische apparaten. Maar wij kregen pas een televisie toen ik tien jaar was. De groenteboer, melkboer en schillenboer kwamen nog aan de deur met paard en wagen. De scharensliep en de bakker kwamen met een bakfiets langs de deur. We hadden nog geen geiser, douche of verwarming. We hadden in de keuken een allesbrander en in de voor en achterkamer een kolenkachel. Zeker in de winter nam de allesbrander in de keuken een heel belangrijke plaats in, we werden als kinderen namelijk voor de kachel in de grijze zinken tobbe gewassen. Mijn moeder had een petroleumstel voor draadjesvlees en soep. Ze kookte op zo’n gasstelletje, met drie pitten en met ’n gasfles ernaast. Ik snap nog niet hoe mijn moeder het klaarspeelde om voor 11 personen te koken. Wat ik ook nog van die tijd weet is dat we ongeveer twintig minuten naar school moesten lopen. We woonden toen in een naoorlogs huis buiten het centrum van Bergen op Zoom. Onze oudere broers moesten natuurlijk op ons letten maar vaak liepen Ruth en ik alleen naar school. Dat betekende dat we `s morgens naar school liepen. Tussen de middag moesten we weer om 13.30 uur op school zijn, dat was dus anderhalf uur. Dus liepen we om 12.00 uur weer snel naar huis om eten en dan weer snel terug naar school. Om 16.00 uur ging de school uit en dan liepen we weer terug naar huis. Ruth en ik speelde onderweg altijd wel en daarom kwamen we weleens te laat op school of te laat thuis. Ik zie ook nog voor me dat er op de slaapkamer waar wij sliepen 2 stapelbedden stonden en nog een kinderledikantje, waar toen mijn anderhalf jaar jongere zus in sliep. Mijn twee oudere zussen sliepen in het ene stapelbed en Ruth en ik in het andere stapelbed. Op de slaapkamer van mijn ouders stond ook een ledikantje waar mijn toen jongste broertje in sliep. Er was nog een kleinere slaapkamer en daar stond ook een stapelbed in en daar sliepen mijn oudere broers in. Toen ik zeven was zijn we verhuisd naar dat grote huis in de Wijngaardstraat. Daar is mijn moeder bevallen van een doodgeboren kindje en daar heeft ze twee miskramen gehad. Velen jaren later, mijn moeder was toen al tweeënveertig is mijn jongste zusje geboren.’

Ik keek naar Hanna en zag dat haar ogen zacht stonden. Dit waren warme herinneringen voor haar.

‘Hadden jullie veel vriendjes,’ vroeg ik Hanna.

‘Oh ja,’ zei ze. ‘We speelden vooral met de kinderen die bij ons in de buurt woonden. We maakte hutten van de stapels stenen die opgestapeld stonden voor de opbouw van gebouwen die tijdens de oorlog waren vernield. Er deden daar wel 20 kinderen aan mee. Alle kinderen hadden wel oude spullen van huis mee genomen, zoals gordijnen, emmers, pannen, oud serviesgoed, een oude stoel, of een vloerkleed. We hadden wel een stuk of vier hutten gebouwd en speelde daar weken lang in. Of we gingen met alle buurtkinderen zwemmen in het Markiezaatsmeer. Dan ging er wel altijd een volwassene mee. Of we gingen op de fiets naar groot Molenbeek dat was een bebost landgoed, waar we verstoppertje of indiaantje speelden en altijd gingen er wel vriendjes of vriendinnetjes mee. En in de winter waren de grachten, sloten en plassen in mijn herinnering altijd bevroren. We gingen dan met de kinderen uit de buurt schaatsen. Er stond altijd wel een kraampje langs het ijs met erwtensoep en warme chocolademelk. We hadden houten schaatsen die met linnen banden onder de gewone schoenen of rubber laarzen werden gebonden. Vreselijk wanneer die banden losgingen en opnieuw moesten worden vastgemaakt en dat gebeurde soms om de haverklap. Soms moest je er half jankend van de kou mee stoppen. Van de kou voelde je handen en voeten bijna niet meer. Thuisgekomen gingen je handen en voeten dan ook nog eens verschrikkelijk tintelen. Maar de volgende dag ging je toch gewoon weer schaatsen. Dat waren fijne tijden, waar ik met plezier aan terug denk.’

‘Dat zijn zeer zeker fijne herinneringen,’ zei ik.

‘Ja,’ zei Hanna. ‘Maar ik heb ook een paar vreselijke herinneringen. Ik was negenjaar en we speelden in onze stenen hutten. Op een bankje dat daar vlakbij stond zat geregeld een oude man. Hij was altijd heel erg aardig tegen ons. Natuurlijk had mijn moeder ons gewaarschuwd voor kinderlokkers. Maar wist ik veel hoe een kinderlokker er uitzag. Op een gegeven moment vroeg die man aan mij en een vriendje of wij een nest met jonge duiven wilde zien. Ja dat wilde wij wel. Wij liepen met die man mee naar een huis dat grotendeels nog dichtgetimmerd zat. Hij nam ons mee naar binnen en in een donker hokje ging hij zo staan dat we daar niet meer uit weg konden. Hij sloot ons in, en begon allerlei gekke vulgaire woordjes in ons oor te fluisteren. Woordjes zoals lekker neuken, kutje, lulletje, lekker likken enz. Ik begreep toen wel dat het helemaal mis zat en ik versteende in een zoutpilaar. Eerst zat hij aan de piemel van mijn vriendje te prutsen en toen aan zijn eigen pik en daarna zat hij met zijn vingers in mijn vagina. Ik voelde z`n angst en gelijker tijd ook walging. Hij bleef maar vulgaire woorden zeggen. Toen hoorden we mensen vlak in de buurt praten en toen liet hij ons gaan. Mijn vriendje rende gelijk naar huis en ik rende mee. Dat vriendje vertelde thuis aan zijn moeder wat er gebeurt was en die moeder reageerde heel rustig en deed haar jas aan en vroeg aan dat vriendje of ze hem de plek wilde aanwijzen waar het gebeurt was. Ik rende toen naar huis en vertelde mijn moeder wat er gebeurt was. Ze was niet kwaad op mij, maar wel behoorlijk aangeslagen. Mijn moeder deed ook haar jas aan en pakte me bij de hand en ik moest mee naar het politiebureau. Daar deed mijn moeder haar verhaal. Ik moest toen in verschillende fotoboeken kijken waar criminele en zedendelinquenten in stonden. Ik moest kijken of ik hem op een van die foto`s herkende. Maar ik herkende hem niet. Al die foto’s van criminele en van zedendelinquenten had een diepe indruk op mij gemaakt. Nachtenlang had ik nachtmerries. Ik was bang in het donker of om alleen naar boven te gaan. Er werd met mij ook verder niet over gepraat. Toen ik een jaar of tien was moest ik voor mijn moeder enveloppen halen. Ik wilde de winkel binnen stappen waar ze o.a. shag, sigaren, sigaretten, enveloppen enz. verkochten. Het was winter, want ik weet nog dat het had gesneeuwd. Er lag op de vloer van de winkel een kokoskleed en er stond in de winkel een langwerpig petroleumkacheltje. Achter de toonbank stond het winkelmeisje met een klant te praten. En net toen ik binnen wilde stappen zie ik het petroleumkacheltje omvallen en gelijk vat het kokoskleed vlam. De klant rende supersnel naar buiten en het winkelmeisje gillend naar boven. Ik stond daar als aan de grond genageld bij de deur. Alles ging toen heel snel en binnen een paar minuten stond dat hele huis in lichtelaaie. Het winkelmeisje was via het dak naar het huis van de buren gevlucht en heeft zich zo in veiligheid weten te brengen. De brandweer was er snel bij. Maar ik herinner me vooral de verschroeiende, brandende hitte. De ramen van de huizen tegenover dit brandende huis klapten allemaal uiteen door de hitte. De verf zag je er gewoon vanaf bladderen. De panden er naast liepen allemaal heel veel schade op. De rook zat weken lang in mijn neus en toen ook weer werd ik nachtenlang wakker en dan rook ik brand. Dan maakte ik mijn ouders wakker om te zeggen dat ik brand rook. Natuurlijk stelde mijn ouders mij dan gerust. Maar ik had er toch een shock van opgelopen. Ik herinner me ook dat mijn jongere broertje en ik samen uit school naar huis liepen. We moesten een drukke straat oversteken. Ik was al overgestoken en mijn broertje volgde mij op de voet en keek daarbij niet goed uit en hij werd toen geschept door een auto. Ik zie nog hoe hij door de klap in de lucht geslingerd werd en aan de andere kant van de straat neer gekwakt werd. Hij bleef even liggen. Ik weet nog dat hij een enorme buil op zijn hoofd had en dat zijn knieën en ellenbogen open lagen. Gelukkig had hij niets gebroken. Maar hij had wel een hersenschudding opgelopen. Wekenlang moest hij plat in bed blijven liggen. Ik heb me daar schuldig over gevoeld. Ik dacht heel lang dat als ik maar beter op hem gelet had dat niet gebeurd zou zijn. Er werd niet aan mij gevraagd wat dit gebeuren met mij had gedaan. Zo ging dat in die tijd.’

We bestelde een lunch en spraken een uur over koetjes en kalfjes.
´Wat deden jullie allemaal aan kattenkwaad dat er voor zorgde dat je moeder soms teneinde raad was?´ Vroeg ik Hanna.

‘Wel we waren geen lieverdjes. Ik weet nog dat mijn moeder alle heilige heeft aangeroepen toen ze ontdekte dat Ruth, mijn jongere broertje en ik via de dakgoten en daken van het ene huis naar het andere liepen. Ze was toen natuurlijk heel erg bang dat er één van ons naar beneden zou vallen. Ze was gewaarschuwd door een buurvrouw en beneden aan de voordeur stond zelfs een politieagent. We hebben daarna straf gekregen en moesten toen zonder eten naar bed. We gingen ook wel eens zonder begeleiding stiekem zwemmen. Dat wilde mijn moeder niet omdat wij wel konden zwemmen, maar sommige kinderen die weleens met ons mee gingen niet. Het Markiezaatsmeer lag afgelegen en ze was altijd bang dat er iets met ons zou gebeuren. Als ze tot de ontdekking kwam dat we toch naar het Markiezaatsmeer waren gegaan, dan werd ze ook boos, dat is ook te begrijpen. Ik herinner me ook dat we eens na schooltijd met een paar andere kinderen stiekem de kerk zijn ingegaan en toen hebben we biechtstoeltje gespeeld en kaarsjes aangestoken. De koster betrapte ons en die heeft dat weer verklapt tegen mijn moeder. Daar was ze natuurlijk ook niet blij mee. Als we naar school liepen kwamen we langs de Sint-Gertrudiskerk en in die tijd was de kerk nog overdag open. Via een deur aan de achterkant kon je de toren beklimmen wat wij na schooltijd ook vaak gedaan hebben. Ik herinner me dat we eens wat kaarsen op zolder hadden aangestoken, we mochten niet met vuur spelen. Toen ze dat ontdekte kregen we ook straf. Dat is ook logisch. Maar wat ze soms in haar wanhoop zei hakte er wel behoorlijk in. Ze zei, ‘wat voor een kinderen heb ik toch, kunnen zij dan nooit eens iets goed doen.’ Ik herinner me ook dat we salamanders gingen vangen in de stadsvijver op de Stadswal. We deden dan onze schoenen uit en liepen op plotenvoeten door de vijver opzoek naar salamanders. Buren spraken daar schande van en waarschuwde mijn moeder. Soms als we `s avonds al op bed lagen liepen we er geregeld uit. Ze moest soms verschillende malen naar boven komen om ons te gebieden niet meer uit bed te komen. Ook slopen we geregeld s` avonds naar beneden naar de keuken, waar in de keukenkast een koektrommel met koekjes stond. We pikte dan stiekem wat koekjes en aten die dan in bed op. Dit zijn wat voorbeelden van wat Ruth en ik allemaal aan kattenkwaad uithaalden. Maar ook de andere broers en zussen zullen het nodige uitgehaald hebben. Ja dat was natuurlijk best stressvol voor mijn ouders. Maar waar mijn moeder zich het meest voor schaamde en absoluut niet mee om kon gaan was het feit dat de meeste van haar kinderen dyslectisch waren, waarvan zij toen natuurlijk ook nog nooit gehoord had, en dus wij niet goed mee konden komen op school. Als wij met onze rapporten thuis kwamen en we lieten die aan haar zien dan zag je de teleurstelling op haar gezicht en ze heeft echt een paar keer gezegd waaraan zij het toch verdient had zulke domme kinderen te hebben. Daar deden familie en buren ook nog eens een schepje boven op, want in die tijd was het de gewoonte dat je je rapport aan anderen liet zien en als je een goed rapport had dan kreeg je wat geld. Ik zie nog de minachting op sommige gezichten. Nee, ik heb niet zo veel geld voor mij rapport opgehaald dan anderen. Mijn moeder vergeleek ons ook altijd met anderen die bijvoorbeeld wel goed konden leren, of die zich wel in haar beleving netjes en correct gedroegen. Dat heb ik ook altijd als heel vernederend ervaren. In die tijd telde je pas mee als je je correct, netjes en burgerlijk gedroeg, maar vooral als je het op school goed deed. Al die wedijver heeft bij Ruth en mij de das omgedaan. Leerkrachten die in het bijzijn van de andere kinderen met een rode ballpoint alles aanstreepte wat ik tijdens de taalles fout had geschreven. Ik heb het als heel vernederend ervaren. Dit soort dingen hakken er diep in en geven je het gevoel dom te zijn. Ruth en ik gingen daar erg onder gebukt.’

`Wat kun je mij vertellen over je talenten en je eigenschappen,´ vroeg ik Hanna.

´Ik ben ijverig, handig, creatief, dapper, ruimdenkend, zorgzaam, gevoelig, soms meegaand, ik kan goed luisteren, ben inlevend, maar ook chaotisch, en zo af en toe nog onzeker, geremd, cynisch, soms asociaal en wanhopig, afwachtend en impulsief. Ik ben kunstzinnig en filosofisch onderlegt. Ik heb me op mijn vijfentwintigste verdiept in de antroposofie en later in de theosofie en ik heb theosofische lezingen gegeven. Ik heb heel veel aan de Theosofie gehad. De theosofie zoekt de raakvlakken op van de zichtbare, waarneembare wereld en de mystieke, religieuze en filosofische inzichten die de mensheid sinds vele duizenden jaren en overal ter wereld heeft ontwikkeld. Het is een universele levenswijsheid. Ik heb een paar maal geëxposeerd met mijn schilderijen. Ik heb een opleiding creatieve handvaardigheid gedaan, mijn café bedrijf diploma gehaald. Ik heb een cursus voetreflex, reiki en drukpuntmassage gevolgd en heb een driejarige yoga opleiding gedaan. En daarna nog een specialisatie in yoga voor ouderen en zwangerschapsyoga. Ik heb een paar jaar een yogapraktijk gehad, ´zei Hanna.

´Dat zijn toch geweldige eigenschappen en talenten, hoe moet ik dit rijmen met het geen je me allemaal al verteld hebt,´ vroeg ik haar.

´Something inside so strong. I know that I can make it,´ zong Hanna als antwoord zachtjes op mijn vraag, ´of,´zei ze, ´omdat er iets sterks vanbinnen in mij zit dat altijd terug gevochten heeft. Al is mij nog zoveel onrecht aangedaan, de drang om het leven weer te hervatten was groter dan de blokkades. Ik heb altijd gezocht naar oplossingen en zocht wegen op waarin die oplossingen te vinden waren. Maar dat was niet makkelijk. En dat ging met veel vallen en opstaan gepaard. Soms dreef het mij tot wanhoop en dan gooide ik voor een tijdje de handdoek in de ring. Door de onaangenamen gebeurtenissen in mijn leven, begon ik met een zoektocht naar de zin van het leven. Hierdoor kan er innerlijke groei ontstaan en dat was hard nodig anders had ik het niet gered,´ zei ze.

‘Hoe was je puberteit,’ vroeg ik Hanna.

‘Daar heb ik slechte herinneringen aan. Ik vond mijn puberteit niet prettig. Die had ik het liefste overgeslagen,’ zei ze. We groeiden uit tot mooie, knappe meiden. Eerst hadden we dat zelf helemaal niet door, maar we kregen steeds meer aandacht van jongens. Ook mensen uit de buurt die zagen dat we ontpopten als mooie meiden spraken ons daarop aan. Jongens floten ons na en maakte een praatje met ons en ja daar gingen we wel eens op in door iets terug te zeggen of te lachen en dan waren er altijd wel een paar mensen die ons losbandig noemde. Wij gingen naar de Petrus Canisius Huishoudschool. Voor de meeste meisjes was doorleren in die tijd niet weggelegd, ze waren voorbestemd om huisvrouw te worden. Dus werd het de huishoudschool. Omdat Ruth en ik geregeld werden benaderd door jongens, werd ook mijn belangstelling voor jongens op een gegeven moment gewekt. Ik kreeg veel aandacht en complimenten van jongens. Plotseling telde ik wel mee. Dat zij natuurlijk op wat anders uit waren had ik in het begin helemaal niet door. Regelmatig had ik toen een scharreltje, maar echt verliefd was ik niet. Op een gegeven moment werd ik wel verliefd op een jongen, en ook hij wilde natuurlijk meer. In het begin wilde ik dat niet, want ik was er op m’n dood voor. Ik had een laag zelfbeeld. Ik voelde me onzekerheid, en schuldig. Ik schatte mezelf niet hoog in. Dus ben ik overstag gegaan terwijl ik dat helemaal niet wilde. Maar op de een of andere manier had ik niet de macht of kracht om te weigeren. Ik was doodsbenauwd dat ik zwanger zou worden. Maar in die dagen werd de jeugd steeds rustelozer en begon te rebelleerde tegen het gezag. De gevestigde orde werd als het ware omver geworpen. Met de komst van o.a. The Beatles veranderde de wereld van de jeugd volkomen. Ik hoorde van meisjes die seks hadden en de pil gebruikte. Iets wat bij ons thuis natuurlijk onbespreekbaar was. Mijn moeder sprak schande over al deze nieuwe ontwikkelingen met de jeugd. Ik kende meisjes en jongens die gingen fuiven, waarbij de aanwezigheid van de ouders niet gewenst was. En ook Ruth en ik gingen wel eens stiekem naar z`n fuif. We leerden z`n andere wereld kennen. Maar altijd werden we wel lastig gevallen door jongens die meer wilde. Tot tweemaal toe ben ik bijna verkracht. Eén keer begon ik hard te gillen en toen kwam een man mij te hulp. Maar die jongen zat al wel met zijn vingers in mijn onderbroek. De tweede keer dacht ik dat ik een leuke jongen had ontmoet die me naar huis bracht, maar onderweg trok hij mij achter een schuurtje en wilde hij mij verkrachten. Ik heb toen gevochten als een leeuw. Uiteindelijk liet hij me los, en hij riep me na dat ik een vuile slet was. Ik heb dit thuis nooit verteld, ik wist dat ik met zulk soort verhalen thuis niet terecht kon. Een klote tijd was dat, toen was het zo dat als mannen zich te vrouwelijk gedroegen homo waren, wat toen ook een grote schade was. Als vrouwen zich te mannelijk voordeden spoorde ze niet en waren het mannenhaters. En als meisjes mooi en knap waren, of zich te sexy kleden, werden ze bestempeld als sletten of hoeren. In die tijd was mijn moeder door gebeurtenissen in ons gezin, waar ik het hier niet over ga hebben, weer eens zwaar overspannen. Het was thuis een hel. Ze was echt af en toe buitenzinnen. Iedereen ontliep haar en ging zoveel mogelijk weg. Ook ik. Ik ging naar de stad, naar jeugdcafés en vriendinnen. Ik weet wel dat mij toen langzaam een gevoel van onverschilligheid overmeesterde. In die dagen gaf ik er niet meer om. Zo nu en dan ging ik met een jongen mee en altijd werd er dan geneukt. Niet dat ik het fijn vond en er van genoot, helemaal niet zelfs, maar het kon me geen bal meer schelen. In die dagen hoorde ik voor het eerst van hasjiesj. En soms blowde ik mee met jongeren die mij dat aanboden. Gelukkig ben ik daar nooit verder in gegaan. De toenmalige Paus Paulus Vl had verkondigd dat er geen voorbehoedsmiddelen gebruikt mochten worden en dus konden mijn broers en zussen die zich allemaal innerlijk tegen de kerk hadden gekeerd en verkering hadden, niet voor dit soort dingen bij mijn ouders terecht. Maar al mijn broers en zussen hadden seks voor het huwelijk. Op mijn vijftiende ben ik de eerste van ons gezin geweest die zich openlijk tegenover mijn ouders verzetten en zich tegen de kerk keerde. Ik weet nog dat ik tegen haar zei dat ik niet bij die kerk en het Katholieken geloof wilde horen omdat al die priesters, pastoors en veel Roomse mensen anderen onrechtvaardig behandelden en dat er binnen de kerk geen spraken was van rechtvaardigheid. Ik zei dat ik niet in z`n God kon geloven en nog liever naar de hel ging. Mijn moeder viel toen helemaal stil. Ze zijn er nooit meer op terug gekomen, maar omdat ze wel wisten dat mijn oudere broers en zussen niet meer naar de kerk wilde lieten ze voor het eerst de teugels wat los. In de pubertijd heb ik me heel erg verdwaald en niets waard gevoeld. Ik deed immers dingen die God verboden had, en dat wist ik, maar ik had te weinig eigenwaarde te weinig zelfrespect om het niet te doen. Ik liep rond met een enorme hoeveelheid onverwerkte pijn, verdriet, eenzaamheid, frustratie, machteloosheid, woede en een even grote, bijna onbevredigbare behoefte aan liefde, bevestiging, erkenning, waardering en aandacht, waardoor ik snel ten prooi viel aan, en afhankelijk werd van mensen die ook maar een beetje lief voor me waren en aandacht aan me bestede. Ook al waren hun motieven om dat te doen helemaal niet oprecht. Later begreep ik natuurlijk wel wat een gebrek aan eigenwaarde teweeg kan brengen o.a. dat ik vaak deed wat anderen van me wilde, ervan uitgaande dat anderen het beter wisten. Ik vond anderen vaak belangrijker dan mezelf. Ik cijferde mezelf weg. Bang en onzeker om mezelf te laten zien aan de wereld, verschuilde ik me achter een maskers van doen alsof. Ik werd een toneelspeler. De werkelijke ‘ik’ liet ik niet zien, kon ik niet laten zien, want die was ik helemaal kwijt’, zei Hanna.

Ik begreep dat weinig zelfvertrouwen, en eigenwaarde jou levensvreugde, succes en geluk flink in de weg hebben gezeten. Maar ook dat je heel goed begreep hoe dat ontstaan was. Je had inderdaad goed in de Spiegel gekeken.
‘Hoe heb je je huidige man leren kennen,’ vroeg ik Hanna.

‘Hier in de stad. Hij zat hier op de ambachtsschool en ik op de huishoudschool. Tussen de middag gingen we naar de stad en daar sprak hij me aan. Ik vond hem wel leuk om te zien. Hij was erg aanhoudend en op een gegeven moment zijn we naar de film gegaan. In het begin was ik niet verlieft op hem en ik heb het ook een paar keer uitgemaakt. Maar ik vond de aandacht die ik van hem kreeg wel heel fijn. Na een paar maanden werd ik toch smoorverliefd op hem. Natuurlijk had ik ook tijdens onze verkeringstijd last van het feit dat ik weinig eigenwaarde bezat. Ik deed wat hij wilde. Ik leed aan het aardigheidsyndroom. Ik vond het verschrikkelijk als mensen me niet aardig vonden. Ik maakte het mezelf erg moeilijk, want zo werd ik afhankelijk van de mening van anderen. Daarmee ging ik automatisch over mijn eigen grenzen heen. Ik voelde me hier ongelukkig onder en ik wist ook dat het anders moest. Dit heeft de eerste jaren van ons huwelijk enorm gespeeld. Maar omdat ik niet gelukkig was en wist dat ik daar zelf verandering in moest brengen ben ik aan mezelf gaan werken. En langzaam door de jaren heen, met veel vallen en opstaan en heel veel strijd heb ik de controle terug door niet iedereen te willen pleasen.’

‘Wanneer kreeg je kinderen en hoe was dat voor je? ‘vroeg ik Hanna.

‘Onze zoon is geboren toen ik twintig was. We waren zelf eigenlijk nog niet volwassen. Maar goed we moesten trouwen, want ik was zwanger. Ik was erg blij met de geboorte van onze zoon, ondanks dat hij geboren is met een motorische handicap waar ik verder niet over ga uitwijden, ‘zei Hanna. ‘Hans mijn echtgenoot had wel de eerste jaren moeite met de handicap van onze zoon en kon dat niet accepteren. Dat heeft dan ook tussen ons gestaan. Onze dochter is geboren toen ik drieëntwintig was, ook daar was ik heel erg blij mee. Hans werkte in de bouw en ik was huisvrouw. In het begin hadden we ook weinig geld maar we konden allebei heel goed met geld omgaan. Vele jaren later, Hans was toen al zestig, is uitgekomen dat hij PTSS heeft. Hij is slachtoffer geworden van, transgene rationele traumatisering van de tweedegeneratie oorlogsgetroffene. Dat zijn mensen die psychische gevolgen dragen van gebeurtenissen die hun ouders zijn overkomen. De tweede generatie hebben zelf de traumatische ervaring, het oorlogsgeweld niet mee gemaakt maar wel indirect via de ouders ervaren. De vader en moeder van Hans waren in Indonesië door oorlogsgeweld zwaar getraumatiseerd, zij hebben werkelijk vreselijke dingen mee gemaakt. Zijn vader was bijvoorbeeld super streng en gebruikte lijfstraffen als de kinderen hem niet gehoorzaamde. Ze mochten geen fouten maken en niet met een slecht rapport thuis komen. Ze moesten beter worden dan de blanda’s, de Nederlanders. Opgroeien in een gezin waarvan beide ouders een overlevendensyndroom hebben, heeft effect op de kinderen. Zo ook bij Hans. Je kan spreken van een doorwerkingsproblematiek, alleen wisten wij dat toen natuurlijk niet. Ik vond Hans te streng naar de kinderen toe en soms ook onredelijk. Hij reageerde vaak met een kortlontje. Ook mij behandelde hij kleinerend en soms ook respectloos. De kinderen hebben hieronder geleden. Niet alleen onder het gedrag van hun vader, maar ook onder het feit dat ik het te weinig voor hun heb opgenomen. Ik zag jaren later pas in dat ik bepaalde dingen precies zo deed als mijn moeder dat deed. De kinderen mochten altijd thuis spelen en ook de nodige vriendjes en vriendinnetjes waren hartelijk welkom. Ik nam in het weekend en in de vakanties de kinderen ook overal mee naar toe. Maar ik wil het niet over mijn kinderen hebben, Ik wil geen persoonlijke dingen van hen aan de grote klok hangen. Dat is vertrouwelijk en dat mag ik niet beschamen,’ Zei Hanna terwijl ze me doordringend aan keek.

‘De eerste jaren durfde ik niet tegen Hans in te gaan. Maar er waren momenten dat ik hem haatte, maar dat liet ik niet merken. Je begrijpt wel dat ik mezelf er ook om haatte en in die dagen reageerde ik daarop door in mijn overlevingsmechanismen te schieten. Nu weet ik dat de adrenaline en noradrenaline dan voortdurend verhoogd is. Er is dan een voortdurende alertheid alsof je moet vluchten. Je rationeel en doordacht denken zijn uitgeschakeld, je doet alles op de automatische piloot. Ik had toen veel last van hyperventilatie en de nodige angstaanvallen. Toen begreep ik ook pas dat ik daar als kind ook last van had. Hoe moet ik dit toch uitleggen, ´zei Hanna en even sloot ze haar ogen. Toen zei ze, ´Je moet het zo zien. Je hebt een lichaam en een psyche. Net als je lichaam, heeft je psyche vermogens om je te beschermen tegen beschadiging zoals emotionele pijn. Ik heb in mijn kindertijd dingen meegemaakt die voor mijn kinderpsyche te moeilijk of te pijnlijk waren om bewust te ervaren. Om je daartegen te beschermen heeft je psyche een mechanisme waarmee de pijnlijke ervaringen worden verdrongen. Ze worden dan niet doorvoeld, maar verdrongen en verstopt in je onderbewustzijn. Maar deze diep weggestopte pijnlijke emoties en ervaringen blijven ergens in je lichaam zitten totdat iets ze weer wakker trigger en je opnieuw de pijn voelt uit je kindertijd, ook al heeft de trigger van nu daar niets mee te maken. Het is het sein van je psyche om alsnog deze verdrongen, en weggestopte pijn te gaan verwerken. En geloof me dat gaat niet vanzelf, daar moet je echt heel veel voor doen.´

Ik vond dat Hanna het goed onder woorden kon brengen.

´Jeetje, je moet je vreselijk hebben gevoeld, heb je de moed nooit opgegeven? Vroeg ik Hanna.

‘Nee dat niet, maar het was soms loodzwaar en dan had ik het gevoel niet meer verder te kunnen. Ik weet bijvoorbeeld een hoop dingen niet meer, ze zijn weg uit mijn geheugen. Van een psycholoog weet ik dat gezien de toestand waarin ik verkeerde dat ook normaal is, want als je namelijk aan het overleven bent, kan je daar je rationeel, doordacht denken niet bij gebruiken. Je hele wezen is dan ingesteld om te vluchten en dan moet je niet eerst moeten nadenken over iets omdat vluchten dan wel eens te laat kan zijn. Ik voelde me zo schuldig naar mijn kinderen toe dat ik op een gegeven moment toch tegenin Hans ben ingegaan en aan mezelf ben gaan werken,’ zei Hanna.

‘Hoe heb je dat gedaan,’ vroeg ik Hanna.

‘Ik kan je verzekeren dat dit heel veel strijd en conflicten heeft veroorzaakt. Ik weet nu dat je je als volwassene voelt aangetrokken tot mensen en situaties die je in contact brengen met de pijnlijke emoties die je in je jeugd verdrongen hebt en die je de onverwerkte ervaringen uit je jeugd laten herbeleven. Dit is een manier van je ziel om je de gelegenheid te geven die verdrongen ervaringen alsnog te verwerken. Daardoor kom je in je leven steeds weer in dezelfde soort pijnlijke, problematische situaties terecht, net zo lang tot je de boodschap hebt begrepen en de oude wond is geheeld. Tijdens een psychotherapie ontdekte ik dat de ervaringen opgedaan in mijn kindertijd de oorzaak waren van mijn gedrag, en ik heb toen stellig besloten dat te veranderen,´ zei Hanna.

We bestelde een kop thee.

‘Wat kan je nog meer over je huwelijk met Hans en je helingsproces vertellen? ‘vroeg ik Hanna.

‘Het was en is zo nu en dan nog steeds een bewogen huwelijk. Vergeet niet we waren allebei beschadigd en we waren elkaars spiegel. Met andere woorden we triggerde bij elkaar de kindergevoelens uit ons verleden wakker en gaven daar elkaar de schuld van. Voor je zo ver bent dat je beseft dat de pijn en de boosheid in jou zelf zit die je op de ander projecteert ben je jaren verder. Ik heb hem echt verwenst en net zo als hij vele malen willen scheiden. Ik vind dat ik het nodige gedaan heb om onze relatie te verbeteren. Ik heb het nodige er over gelezen, heb communicatie cursussen en een cursus geweldloze communicatie gevolgd, een assertiviteitstraining gevolgd en ik heb een training werken aan zelfvertrouwen gedaan. Ik ben in therapie geweest. Maar hij liet dit soort dingen altijd aan mij over. Hij vond en vindt nog steeds dat het aan mij ligt. Hij let nog steeds op me en vind dat ik de dingen onnadenkend doe, hij wil dat ik het doe op zijn manier. En dan gaat het om de dingen in het huishouden, zoals de boodschappen in de keukenkastjes weg zetten, of hoe ik stofzuigt of iets schoonmaak. Als hij naast mij in de auto zit veranderd hij in een rijinstructeur en ga zeggen wanneer ik moet remmen en de koppeling los moet laten. Gek word ik er van. Dit maakt me nog altijd heel boos. Ik spaar hem niet en zeg heel duidelijk wat ik van hem vind. Ik zeg hem bijvoorbeeld dat ik geen kopie van hem ben, dat ik een volwassen vrouw ben en niet een kleinkind dat nog onderwezen moet worden en dat ik de dingen op mijn manier doe en dat daar niets mis mee is en dan ga ik weg. Ik ga dan een wandeling maken of naar Ruth. Ik heb ook al dikwijls tegen hem gezegd dat als hij het niet aanstond dan maar weg moest gaan en een andere vrouw moest nemen, maar dat doet hij niet. Hans heeft nog nooit aan zelfreflexje gedaan. Hij wijst altijd naar anderen en vindt dat het probleem bij iemand anders ligt. Het is een moeilijke man om mee te leven en dat zal nooit veranderen.´

Ik keek naar haar en dacht hoe hou je dit vol.

´Ik, maar ook Hans hebben ons binnen onze relatie dikwijls eenzaam, verlaten en onbegrepen gevoeld. Door de jaren heen is een ieder van ons zijn eigen leven gaan leiden. We hebben onze eigen hobby’s en trekken met onze eigen vrienden op. Ik trek veel met Ruth en met mijn anderen zussen op. Hans en ik doen nog weinig samen. Ik heb die behoefte ook niet meer. Want als we iets samen doen is hij degene die bepaald hoe het moet. Ik denk wel eens dat het voor hem het beste zou zijn als hij z’n levens echte vrouwelijk robotpop zou nemen die hij helemaal naar zijn wensen in kon programmeren. Jaren geleden heeft de huisarts eens tegen hem gezegd dat hij een cognitieve stoornis had en ik denk dat dit ook zo is. Dit is een symptoom van PTSS. Ja, we wonen in het zelfde huis, eten en slapen samen. Gaan soms samen om boodschappen of een eindje rijden. Gaan samen naar de kinderen of naar zijn familie. We praten wel met elkaar, maar gaan niet te diep op dingen in, omdat dit dikwijls ontspoort in een conflict. Hans luistert wel maar hoort nauwelijks wat ik zeg, en zijn antwoorden zijn daar ook naar. Ik kan daar vaak helemaal niets mee. Hij zal het geen ik zeg altijd interpreteren naar wat hij aan gedachten, ideeën en overtuigingen hebt, dus vanuit zichzelf, hij hoort daarom niet wat ik zeg. Hans is een doemdenker, hij ziet overal beren, en verwacht altijd iets negatiefs. Hij denkt zichzelf vaak ziek. Ook blijft hij in het verleden hangen, hij koestert ingedachte soms uren, soms zelfs dagenlang bepaalde herinneringen, zowel positief als negatief. Hij bedenkt allerlei scenario’s en zit voortdurend in zijn hoofd. Zijn gedachten beïnvloeden zijn hele leven, niet alleen zijn houding naar mij, maar ook zijn vitaliteit en gezondheid. Ze zijn een deel geworden van wie hij is. Ik zeg niet dat het een slecht mens is. Nee, dat zeker niet, maar wel heel moeilijk in de omgang. Door de loop der jaren hebben we geleerd om beter met elkaar om te gaan. We tolereren elkaar en zorgen voor elkaar. We hebben nu eerder een economische relatie. In het begin van onze relatie was er spraken van romantiek, maar die is al heel lang weg, ook daar heb ik geen behoefte meer aan. Ik vind dit prima zo. Je vraagt je misschien af hoe ik het volhoud. Wel soms hou ik het niet vol en dan ga ik weg. Ik ga geregeld een weekend of soms nog wat langer naar mijn zus Ruth, daar kom ik dan weer tot rust en kan ik even wat afstand nemen. Ik probeer mijn relatie niet meer te redden. Ik heb er ook geen andere verwachtingen meer van. Dit is het leven, dit is de realiteit. Wat mijn relatie met Hans betreft zit er meer niet in. Er bestaat geen leven zonder moeilijkheden of problemen en dat is ook niet realistisch. Dat is een sprookje. Relaties, het leven is een proces, een reis, een weg van vallen en opstaan. Relaties zijn het drama van verwezenlijking van de verbinding en dan allereerst de verbinding met je ware natuur, je ware IK. Vergeet niet dat je elkaars spiegel bent en dat je vaak door iets onschuldigs te zeggen of te doen de verstopte oude pijn bij de ander wakker trigger. Door dat je pijn voelt wordt je een kans geboden daar iets mee te doen. Misschien is dat ook wel de taak van iedere relatie en is het leven als een zich ontplooiende reeks gelegenheden om te ontwaken. Ben ik nog altijd verwond? Nee dat niet. Maar er zijn wel littekens en die zijn af en toe nog heel gevoelig. Mijn verleden en het geloof in mezelf dat ik dom en niet goed genoeg was hebben mij gevormd en mijn gedrag beïnvloed. Zo kan ik soms nog behoorlijk boos reageren. Juist wanneer iemand mij onrechtvaardig behandeld of kleineert, of niet naar me lijkt te luisteren. Ik ben nog steeds onzeker in bepaalde dingen, maar inmiddels durf ik me meer dan ooit te uiten in gevoelens en emoties.‘ zei Hanna.

‘Wat blijft er nu nog liggen dat je zou willen vertellen,’ vroeg ik Hanna.

´Ik wil je nog vertellen over familie verraad,´ zei Hanna. Verraad door familie is een zeer desastreuze ervaring die een persoon tot op het bot kan raken. Het is een zeer intens gevoel afwijzing, vertrapt zijn, van gekwetstheid door bewuste, kwaadaardige actie van, in mijn geval twee schoonzussen, en broers die met ze getrouwd zijn, die ik zag als betrouwbaar en loyaal. Het had een grote emotionele impact op mij. Ook over mijn andere vijf zussen hebben deze twee vrouwen, en nadrukkelijk één van hun, laster roddel en smaad verspreid en ook hun reputatie is hier door aangetast en zij zijn hier door heel diep gekwetst en houden nu net zoals ik afstand. We maken geen ruzie, maar we zoeken ze ook niet meer op. Door de loop van de tijd vergeten we misschien wat er allemaal letterlijk gezegd is, maar we zullen niet vergeten hoe we ons door hun voelen. Welke gemene lasterpraat zij over mijn zussen verspreid hebben doe ik hier niet uit de doeken. Dat is persoonlijk en privé. Maar laat ik beginnen bij het begin. Toen ik de huidige vrouwen van mijn boers leerde kennen viel het me meteen op dat ze allebei er onaantrekkelijk uitzagen. Eén was lang en zo mager als een lat, de ander had een misvorming in haar gezicht. Daar moeten ze onder geleden hebben, dat kan niet anders. Natuurlijk zijn zij om hun uiterlijk veel gepest, maar niet door ons. Zij werden door ons gezin opgenomen en geaccepteerd. Ze mochten altijd mee eten en mochten mee naar het bos en strand. Als we gingen kamperen mochten ze ook altijd mee. Nu blijkt dat zij ziekelijk jaloers waren op de meiden Hiemstra. Maar destructieve mensen doen zich meestal mooier voor dan ze zijn, zo ook deze twee vrouwen. Al mijn zussen waren mooi om te zien en altijd hadden we sjans van jongens. Toen al, bleek later, zaten deze twee schoonzussen over ons te roddelen. Vooral de schoonzus met de misvorming in het gezicht had een ziekelijke aanleg voor roddel, smaad , en laster. Heel bewust heeft zij laster verspreid waardoor ik in een negatief daglicht kwam te staan. Hoe ik dat weet? ‘zei Hanna. ´Dat zal ik je vertellen. Vroeger gingen wij altijd naar haar verjaardag en als iedereen in een kringetje in de kamer zat zei ze altijd wel iets zeer kwetsend, vernederends of gemeens over iemand anders. Ik viel dan altijd helemaal stil, maar van binnen kookte ik van woede. Ik was dan vooral boos op mezelf omdat ik er niet tegenin was gegaan en gewoon niet bij machte was te reageren. Dat is nu wel anders, ze moet dit nu niet meer proberen. Dit heeft ook niets met lafheid te maken, maar met het gewoon niet kunnen. Ik herinner me ook dat ik compleet verbaasd en verbijsterd was over wat ze zei. Dat kwam in mijn hersens niet op, het zat niet in me. Maar goed dit gold niet alleen voor mij, maar ook voor mijn andere zussen, ook zij klapte dicht. Ik werk bij de gemeente en ik had een collega die zo nu en dan liet doorschemeren dat hij de nodige dingen van de familie Hiemstra wist. Ik ging daar heel bewust niet op in omdat het een man was die dikwijls de boel provoceerde, menig vrouwelijke collega kreeg hij aan het huilen. Totdat hij op een keer zei dat de beste vriendin van zijn moeder mijn schoonzus was, en toen wist ik genoeg. Weken later toen de onderlinge spanningen met deze man de spuigaten uitliepen heeft hij gezegd dat de familie Hiemstra niet z`n beste familie was, en dat de meiden Hiemstra vroeger sletten waren. Deze man is van wegen conflicten met anderen collega`s en het bedreigen van een collega geschorst. Later hoorde ik dat de moeder van deze collega aan vele mensen in Bergen op Zoom heeft verteld dat de vader van mijn zoon niet Hans maar iemand anders was en dat wist ze van mijn schoonzus. Ik hield vroeger toen ik een jaar of zestien was een dagboek bij. Daar stonden heel persoonlijke dingen in o.a. over wat jongens en over gebeurtenissen in ons gezin. Omdat ik dyslectisch ben stond het natuurlijk ook vol met fouten. Dat dagboekje had ik onder mijn kussen in de tent verstopt. Ik hoorde z`n dertigjaar later dat zij toen stiekem mijn dagboekje gepakt en gelezen heeft, vervolgens heeft ze dat wat er in stond tegen anderen verteld, maar wel uit zijn verband getrokken en opgeblazen met als doel mij aan de schandpaal te nagelen. Toen mijn ouders overleden waren, moest hun huis leeggehaald worden en de spullen moesten verdeeld worden onder de negen kinderen. We hadden op alle spullen nummertjes geplakt en degene die het wilde hebben konden daar dan om loten. Het ging allemaal heel gemoedelijk en eerlijk. Wat waren we verbijsterd en uit het lood geslagen toen plotseling onze schoonzus met de misvorming in haar gezicht langskwam. Ze wilde ook iets hebben van mij ouders, en omdat mijn boer, haar man er bij zat hield iedereen zijn mond. Je wordt door zulk soort gedrag zo overvallen. Weer deden we alsof, en kozen we voor de lieve vrede. Wat voelde dat klote. Alle anderen aangetrouwde wilde niets hebben en vonden dat alles onder de eigen kinderen verdeeld moest worden. Behalve zij, ze heeft geen geweten. Als mens bewegen we mee met de stroom van natuurlijke ontwikkeling door gewetensvol gedrag. Door dat geweten leer je het beoordelen van goed en kwaad. Bij kwaadaardige mensen, zoals deze schoonzus, is er sprake van een stoornis van het geweten. Dat uit zich in allerlei vormen van roddel, laster en smaad, dus gedrag dat destructief is voor anderen. Een natuurlijke reactie op dit gedrag is afkeer en we voelen nu afkeer voor deze schoonzussen. Er is heel veel gebeurd en vooral die ene schoonzus is over grenzen gegaan. Mijn broer heeft zijn vrouw niet tot de orde geroepen, maar haar gewoon haar gang laten gaan en zo is hij haar medespeler geworden. Het vertrouwen is beschaamd en misschien wel definitief beschadigd. In onze wereld bestaan er nu eenmaal mensen die bewust en kwaadwillend anderen in hun eigen familiekring kwaad willen doen. Veel mensen geloven in de bloedband die bekend staat om veiligheid. Maar dit heeft niks met het bloed kruipt waar het niet gaan kan te maken. Het heeft met aanleg, karakter, gebrek aan geweten en kwaadaardigheid te maken. Wanneer zulk soort mensen in het openbaar iemand zwart maken en zoals in mij geval, van dingen beschuldigen die niet waar zijn, heeft dat maar één doel en dat is het ruïneren van de reputatie. Of het heeft als doel een gebeurtenis zo uit zijn verband te treken en op te blazen om het familielid zo veel mogelijk aan de schandpaal te nagelen, en dit noem ik verraad. De motieven verschillen, maar in dit geval kan het gezocht worden in jaloezie, boosaardigheid, gespletenheid en frustratie. Familie die dit doet noem ik valse, laaghartige familie. Ja, ik hou nu bewust afstand, want zij verdienen mijn genegenheid, aandacht, en respect niet,’ zei Hanna heftig.

‘Hoe doe je dat? Hoe maak je keuzes tegen mensen die je slecht behandelen?’ vroeg ik Hanna.

‘Wij hebben aangiften overwogen. Maar daar zaten ook de consequenties aan vast dat het een langdurig emotioneel proces zou worden en daar hadden we geen behoefte aan. Maar ik kan ook niet meer doen alsof en mijn andere wang toe keren. Je zelf opofferen voor de familievrede is nooit goed. Ik heb mezelf, maar ook mijn zussen in de steekgelaten door mijn schoonzussen en broers te vertrouwen die onbetrouwbaar zijn en door lange tijd te zwijgen. Maar mijn familie is de directe link naar mijn verleden. We hebben niet alleen dezelfde bloedband, maar zijn ook energetisch met elkaar verbonden en dat maakt een definitieve breuk zo moeilijk. Maar als het vertrouwen in elkaar en het respect voor elkaar verbrijzeld wordt zijn de gevolgen meestal blijvend. Vertrouwen en respect voor elkaar is gebaseerd op ervaringen uit het verleden. Als die er niet meer zijn, als al deze morele waarden te grabbel zijn gegooid waarom dan nog langer de schijn ophouden? Met je familie moet je niet leven, je hebt uiteindelijk alleen jezelf en met jezelf moetje leven. Ik heb het besluit genomen ze niet meer op te zoeken. Ik ga ook geen ruzie zoeken. Mocht ik ze tegen komen dan zeg ik alleen goedendag en vervolg dan mijn weg.’

‘Wat geeft jou levensvreugde, waar geniet je van,’ vroeg ik Hanna.

‘Waar ik energie van krijg en wat me een goed gevoel geeft is wandelen in de natuur, bos, of over het strand. Vaak ga ik wandelen met Ruth, maar ook met de andere zussen. We kletsen dan over wat ons zo allemaal bezighoud en dat werkt vaak therapeutisch. Ik vind het heerlijk om creatief bezig te zijn en om te lezen. Ik ga vaak met mijn zussen naar het atelier van mijn jongste zus en daar knutselen we de nodige dingen in elkaar. Het is er altijd heel gezellig en ondertussen wordt er over van alles en nog wat gepraat. Ik hou van films en vind het heerlijk om naar de bioscoop te gaan. Ik krijg ook veel energie van filosofische en spirituele lezingen. Ik mediteer en dat geeft me rust en inzicht. Waar ik ook altijd van geniet is het weekje vakantie alleen met de zussen, heerlijk is dat ,’ zei Hanna.

‘Hoe zit het met je spirituele ontwikkeling,’ vroeg ik Hanna.

‘Mijn spirituele ontwikkeling kan je niet los zien van mijn innerlijk helingsproces. Ik heb heel veel aan spirituele lezingen, de theosofie en boeken die over persoonlijkheidsontwikkeling gaan gehad. De blauwdruk, dus datgene wat door toedoen van anderen, jouw blauwdruk wordt en waarnaar je gaat leven, wat ik het illusionair ego noem, bied je gelijker tijd de mogelijkheid je spiritueel te ontwikkelen. Ik weet dat in ieder mens een onzichtbare kracht, je ware natuur zit die sterker is dan het gewone alledaagse IK of dat waar je je gewoonlijk mee identificeert. Maar die kracht kan pas in beweging komen als men zich daarvan bewust is. Kijk, ’zei Hanna. ‘In onze kindertijd worden de zaden gezaaid of het draaiboek geschreven door de mensen van wie kinderen afhankelijk zijn. We worden naar hun visie gekneed, we verliezen daardoor ons ware zelf, of die innerlijke kracht. Want die kracht kan niet werken in een wezen waarvan de ziel gebarricadeerd en soms zelfs beschadigd is door de ideeën, denkbeelden, overtuigingen en toedoen van anderen. Er is in jou door toedoen van anderen een onware jij, een toneelspeler gecreëerd. Waarin jij bent gaan geloven. Je bent gaan geloven dat jij dat was en je bent er naar gaan leven. Eerst moet je je daar bewust van worden en dat kan alleen het leven je leren. Je moet je aandacht richten op je angst en je pijn en op het niet meer afdekken of er voor weglopen door te doen alsof. Door de pijn, de angst, door de strijd, door de dingen waar je van slag van raakt goed te voelen, en in de ogen te kijken, ontstaat het verlangen het anders te doen. Spirituele ontwikkeling is juist doorzien wat het tegenhoudt. Spirituele ontwikkeling is je illusoire ego doorzien, je onware zelf doorzien. Het gaat namelijk voorbij aan het feit dat je hebt te maken met een illusoir ego, de toneelspeler die een enorme lading pijn, angst en frustratie in zich verbergt en dat leeft vanuit het geconditioneerde verleden, dus leeft van wat het in het verleden ervaren en geleerd heeft. Spirituele ontwikkeling is niet alles accepteren, nee zeker niet. Het is je bewust worden van wat er in je speelt, en door welk gedrag je dat in stand houd en dan maak je daar een bewuste keuze in. Het is ook voor jezelf kiezen en niet meer doen alsof. Je ware kern, of je ware zelf kan alleen weer tot leven gewekt worden als je je bewust wordt van je illusioneren Ego, van de toneelspeler, van hoe je je steeds opnieuw weer geïdentificeerd hebt met de blauwdruk creëert door de mensen waar jij van afhankelijk was. Dit wil niet zeggen dat het leven ineens zonder obstakels en probleem zal zijn. Nee, zeker niet. De realiteit is dat er problemen en obstakels zijn, dat hoort bij het leven, maar je zult er wel anders mee omgaan. Het feit dat je nu voor jezelf kiest geeft je kracht, geeft je zelfvertrouwen. Je zult het vertrouwen ontwikkelen dat je op eigen kracht taken aankunt en tegenvallers het hoofd kunt bieden. Zelfvertrouwen werkt positief door in je leven, want je bent niet langer meer voor je welzijn en goed voelen afhankelijk van anderen. Daarom beter onvolmaakt en echt, dan gemaakt volmaakt. Het is je bewust worden dat de blauwdruk waar naar je bent gaan leven niet door jou gemaakt is, maar door mensen waar jij in je kindertijd afhankelijk van was. Je bent er alleen in gaan geloven en naar gaan leven. Het is je bewust worden dat jij daardoor jezelf bent gaan afwijzen, en dat door deze zelfafwijzing, deze negatieve aannames over jezelf, je ware natuur voor je onzichtbaar is gebleven. De wereld is een afspiegeling van jezelf. De wereld is hoe jij deze ervaart, want je projecteert je innerlijk, of je illusoire ego op de buitenwereld en dat is dan ook wat je waarneemt. Elke heftige emotie, verdriet, angst is een les die het leven je probeert te leren. De oplossing ligt dus niet in de buitenwereld, maar in jezelf. Ik heb ergens gelezen dat er geen obstakels zijn op het spirituele pad, obstakels zijn het pad. Kijk, je illusoire ego daar heb je mee geïdentificeerd, je denkt dat je dat bent, door de identificatie krijg je een zelf gevoel, maar spiritueel gezien is dat juist een illusie, dat ben je niet. Het illusoire ego is een sterke entiteit die door jou identificatie zich helemaal uitleeft, en voor heel veel ellende kan zorgen. Dit moet je doorzien, er is geen andere weg. Je persoonlijk leven is je persoonlijke zenmeester, ’zei Hanna.

We bleven even zwijgend zitten en begrepen allebei dat Hanna alles gezegd had wat ze had willen zeggen. In wat ze had verteld zaten zoveel inzichten en wijsheden verborgen, dat ik vastbesloten was hier echt iets mee te doen.

Els Streuper