Dit is de familie van mijn opa

fam judkovski

Dit is de familie van mijn opa. De vrouw in de witte blouse is mijn overgrootmoeder. Om haar heen zitten haar 7 kinderen. Tweede van links is mijn opa, Naftali-Nathan-Anatoli Judkovsky. Hier begint meteen de verwarring. In de families van zowel mijn opa als mijn oma heeft iedereen twee voornamen – joodse en Russische. Lea is meestal Lena. Hirsch –Gregori. Debrah – Anna. Shifra-Shura. En dan hebben Russische namen ook nog vele andere varianten, dus wordt Shura ook nog Sacha of Alexandra en zo werd mijn oma Shifra in het dagelijkse leven Alexandra genoemd.

Maar terug naar de foto. Ik heb niemand van deze mensen levend gekend. Toch zijn ze door de verhalen altijd aanwezig geweest in mijn jeugd.
Deze foto is gemaakt in 1925. Mijn overgrootvader is dan net een jaar of drie overleden. Hij was docent Russisch op de school in de sjtetl* waar de familie woonde, een grote liefhebber van Russische taal en Russische literatuur. Zijn kinderen werden met dezelfde liefde opgevoed en spraken dus goed Russisch. Aan het begin van de twintigste eeuw was het nog niet zo vanzelfsprekend dat er in sjtetls Russisch gegeven werd. Zoals in alle dorpen, werden ook in joodse dorpen jonge mannen verplicht gesteld om het leger in te gaan. Om de zoveel jaar werden er een aantal jongens uit een dorp voor 25 jaar het leger ingestuurd. Vele joden uit de sjtetls spraken geen Russisch en dat gaf problemen in het leger. Dus werd Russische taal op scholen (voor de jongens) in sjtetls verplicht. Zo kreeg mijn overgrootvader zijn baan. Mijn overgrootvader overleed in 1922. Zijn vrouw bleef achter met 7 kinderen. De burgeroorlog was net geëindigd. Het Russische rijk werd door Lenin in republieken verdeeld en de familie van mijn opa woonde ineens in Sovjet republiek Oekraïne. Het was de tijd van armoe, honger, maar ook van nieuwe mogelijkheden en dromen van gelijke rechten.

Velen van hen verhuisden van Juzowka, een stadje met een metaalfabriek, mijnen, een technische universiteit en een theater. Deze stad werd in 1924 Stalino genoemd. In Stalino leerde mijn opa mijn oma kennen, ze trouwden en kregen twee kinderen. In het paspoort van mijn moeder en van mijn oom staat dat ze in Stalino geboren zijn. Hetzelfde stadje kreeg in 1961 weer een andere naam – Donetsk. Daar wonen nog steeds de kinderen van de meeste broers en zussen van mijn opa.
Ik lijk wel mijn oma, dwaal telkens af. Terug naar de foto. De foto is dus in Juzowka (Donetsk), of nee, in Stalino genomen.
Laat ik jullie wat over de vrouwen op de foto vertellen.

Ik bewonder mijn overgrootmoeder. Moet je kijken hoe slank en gracieus ze erbij zit, een moeder van 7 kinderen! Mijn overgrootmoeder was goed opgeleid, kende haar talen, was bekend om haar liefde voor toneel en gelijke rechten voor de vrouwen. Ze is 96 jaar geworden. Het schijnt dat ze me nog heeft vastgehouden toen ik een maand of vier was. Ze was blind maar niemand hoefde haar uit te leggen hoe een baby vast te houden. “Is zij ein scheine meidele?” (mooie meisje –Jiddisch) vroeg ze aan de anderen toen ze me vast hield. Maar natuurlijk, kreeg ze als antwoord, de kleindochter van Naftali zal mooi en slim zijn. (Soms denk ik dat ze me teleurgesteld aankijkt als ik mijn kleren niet pas.)
Haar oudste dochter, Lena, staat naast mijn opa. Zij heeft bijna hetzelfde gezicht als mijn moeder. (En ook dezelfde naam). Lena zong opera en werd een contract in Kiev aangeboden. Dat werd door mijn overgrootmoeder verboden. “Alle actrices zijn hoeren”- werd als reden gegeven. Lena was bekend om haar vurige persoonlijkheid. Op haar 50ste ging ze er met een man van 25 ervandoor.

Vierde van links is Manja. Ze was heel muzikaal, speelde verschillende instrumenten. Haar jongste zoon heeft jaren lang aan het jazzorkest van Donetsk leiding gegeven. Ik herinner me alle familiefeesten met oom Tolik achter de piano. Laatst sprak ik die oom – de jongste zoon van Manja – via Skype. Speel je nog piano? “Ze bombarderen mijn stad, mijn hart is gebroken, ik kan geen muziek meer maken”, – was zijn antwoord. Dat klonk heel dramatisch, en dat is het ook. Op de achtergrond waren schoten te horen. Ondanks de berichten over “wapenstilstand” in de kranten gaan de gevechten daar bijna dagelijks door. Maar ik weet dat hij al langer niet meer speelt, sinds zijn vrouw overleden is.

De vrouw rechts van mijn overgrootmoeder is Tsilja. Volgens verhalen de intelligentste van iedereen en een wiskundige. Ze heeft de oorlog niet overleefd. Tsilja trouwde met een niet joodse man. Haar echtgenoot sloot zich aan bij de nazi’s na de bezetting en leverde zijn vrouw aan hen uit. Tsilja is opgepakt en samen met vele andere joden uit Oost-Oekraïne levend begraven. De zoon van Tsilja zwierf in de oorlog door de bossen rond. Hij is na de oorlog door mijn opa opgespoord en naar Donetsk gebracht. Het gezin van mijn opa en van zijn zus Manja hebben hem gezamenlijk grootgebracht. Die jongen, Grigori, heeft later heel Sovjet Unie afgereisd, hij kon nergens aarden. Hij is met vrouwen van bijna alle bestaande etnische achtergronden getrouwd geweest en heeft kinderen verspreid over de hele breedte van de Sovjet Unie wonen. Ook was hij bekend om zijn talent voor talen. Waar hij ook kwam, hij leerde in de kortste tijd de taal. Hij sprak de talen van alle 15 republieken en zelfs van een aantal bijna uitgestorven Siberische volkeren. Ik heb hem maar één keer gezien. Ik was een jaar of zeven en hij logeerde een paar dagen bij ons in Moskou. Ik mocht met hem de stad in om een jas voor hem te kopen.

Van de jongste dochter weet ik het minste. Ze heette Asja. Ze trouwde met een afstammeling van Don-Kozakken. Een jaar na het huwelijk begon ze zich te vervelen en haar echtgenoot sloot haar ‘s avonds thuis op. Volgens mij zijn ze samen oud geworden.
Sterke vrouwen, zwakke mannen? Maar niets is minder waar.
De jongste broer van mijn opa, wiens gezicht op de foto niet bewaard is gebleven, is in de oorlog omgekomen. Het verhaal is dat toen zijn leger eenheid uit Donetsk vertrok, hij een plaat van “Bloemen Wals” van Tsjaikovski mee had genomen. Met die plaat op zijn borst is hij dus omgekomen, werd me verteld.
De tweede man rechts, is na de oorlog verder het leger in gegaan. Hij heeft gediend op de Koerilen Eilanden, voormalig Japan. In de familie werd hij Koerilsky (wat in het Russisch ook “roker” betekent) genoemd. Ook hij was bekend om zijn muzikaliteit. Hij kon elke instrument spelen dat hij in handen kreeg. Na zijn pensioen is hij naar Donetsk teruggekeerd. Zijn zoon belt me af en toe ‘s nachts wakker om te vragen hoe het gaat. Via Skype flirt hij met me, omdat hij geen idee heeft hoe zich anders te gedragen naar vrouwen toe.

En dan mijn opa. Anatoli is 7 jaar voor mijn geboorte overleden. In de jaren zestig, als gevolg van de verwondingen die hij in de tweede wereldoorlog opliep. Mijn opa werkte sinds zijn 15de. Eerst in de metaalfabriek, later in de mijnen. Hij studeerde ernaast en werd een mijneningenieur. Op de universiteit ontmoette hij mijn oma die economie studeerde. Mijn opa wilde indruk op mijn oma maken en las een gedeelte van een gedicht van Esenin. Mijn oma maakte het gedicht af. Zo was hun liefde begonnen. Mijn moeder vertelde me dat haar vader eerder getrouwd was met een hele mooie Turkse vrouw. En dat hij van de Turkse scheidde toen hij mijn oma ontmoette. Maar van dat eerdere huwelijk heb ik nooit bewijzen gevonden. Een ander verhaal over hem dat mijn verbeelding aanspreekt, is dat hij na de geboorte van zijn zoon alle lantarenpalen van Donetsk heeft gekust. Mijn opa kon niet tegen drank. Op de officiële gelegenheden moest mijn oma stiekem zijn wodka opdrinken. Hij was een boekenverzamelaar. Mijn beide huizen staan vol boeken met zijn handtekening erin. Elke vijftig pagina’s een handtekening. Hij raakte gewond in de oorlog. Had niet goed kunnen genezen omdat in 1943 alle ingenieurs vanuit het front terug naar de fabrieken in Siberië werden opgeroepen om daar te werken. Zijn wonden zijn gaan ontsteken, hij kreeg gangreen. Eerst verloor hij één been, uiteindelijk beiden. Zijn laatste jaren zat hij thuis. Hij vertelde graag moppen. Hij las veel. En hij speelde veel kaartspellen. Elke avond zat zijn huis vol rokende vrienden en werd er tot laat in de nacht gespeeld. Naast zijn werk als mijneningenieur gaf hij les aan de technisch universiteit. Hij verloor die baan na de zaak van de “joodse artsen”, een periode na de dood van Stalin toen vele joden uit belangrijke functies werden ontzet. Hij had een mooie stem en geen gehoor, als enige niet muzikale in zijn familie. Hij was tijdens de oorlog, op het front, lid van de partij geworden. Mijn oma en mijn moeder aanbaden hem. Zelfs dertig jaar na zijn dood bleef mijn oma hem missen. Zijn foto stond prominent in onze woonkamer. En er werden vaak aanwijzingen gezocht en gevonden dat ik zijn reïncarnatie was. (Bij de chassidische joden gelooft men in reïncarnatie) . Als kind droomde ik vaak dat ik geen benen had en ik maakte kasteeltjes van de aardappelpuree omdat ik wist dat mijn opa dat ook deed. Toen hij zonder benen gekluisterd aan zijn bed lag, heeft hij wiskundige tabellen opgetekend. Honderden pagina’s berekeningen, in het zelfde strakke handschrift als de handtekeningen in alle boeken. Nu iedereen rekenmachientjes heeft, zijn die tabellen overbodig. Maar mijn oma heeft al die pagina’s met het strakke handschrift mee naar Nederland genomen. Mijn moeder heeft die pagina’s bewaard na de dood van mijn oma. Een paar dagen na het overlijden van mijn moeder, heb ik al die tabellen naar de papierbak gebracht.

Dat was mijn manier om van mijn moeder afscheid te nemen.

* sjtetl is een joodse nederzetting. In die tijd kregen joden alleen vergunning om in bepaalde dorpen bij elkaar te wonen. Slechts in bijzondere gevallen mochten ze zich in grotere steden vestigen.

© Ira Judkovskaja
27-08-2015, Leeuwarden.